Gaudeamus Muziekweek: de piep-knor definitief voorbij?

De Gaudeamus Muziekweek lijkt het stadium van doorwrochte, maar publieksonvriendelijke ‘piep-knor’ definitief achter zich te hebben gelaten. Het gerenommeerde festival voor nieuwe muziek brengt in vijf dagen tijd 129 composities uit 32 landen. Asko|Schönberg en Cappella Amsterdam trapten woensdag 6 september af met een bonte variëteit aan stijlen. Hiermee was het openingsconcert een graadmeter van wat modernemuziekliefhebbers tot en met zondag kunnen verwachten.

De voor de Gaudeamus Award genomineerde Sky Macklay (VS, 1988) schildert in White/Waves met ruis- en sisklanken een imposant beeld van machtige oceaangolven. Jan-Peter de Graaff haakt in Rimpelingen voor cello en ensemble onbekommerd aan bij traditionele harmonieën en melodieën. De Rus Alexander Khubeev, winnaar van Gaudeamus Award 2015 kiest in The Codex of Thoughtcrimes juist voor het andere uiterste.

Bas Wiegers dirigeert Asko|Schönberg & Cappella Amsterdan in The Codex of Thoughtcrimes. TivoliVredenburg 6-9-2017

Bijna geen instrument klinkt zoals we het gewend zijn en de zangers uiten hun ‘gedachten die door anderen als misdaden worden gezien’ door wc-rollen. Het vervormde gekreun en gepiep lijkt wel wat op de manier waarop walvissen met elkaar communiceren. Gaandeweg ga je snakken naar een ‘gewone’ toon. Muzikaal is dit Russische Carnaval des animaux misschien niet helemaal overtuigend, maar geestig en aansprekend is het wel.

Timbre en eenvoud

Voorafgaand aan dit concert sprak ik met de vijf genomineerden, Sky MacKlay; Ethan Braun (VS, 1987); Ivan Vukosavljevic (Servië, 1986); Aart Strootman, (Nederland, 1987) en Chaz Underriner (VS, 1987). Hoe verschillend de jonge muziekpioniers ook zijn, zij delen een fascinatie voor timbre en werken graag met een minimum aan materiaal.

In Brauns Discipline produceren vier gitaren in dezelfde, afwijkende stemming, een complex weefsel aan boventonen. Ivan Vukosavljevic bouwt in Atlas Slave een hypnotiserende klankwereld vanuit een met strijkstok bespeelde gitaar. MacKlay presenteert in Many Many Cadences voor strijkkwartet een geleidelijk in glissandi uiteenvallende reeks cadensen.

Gaudeamus 6-9-2017 Ivan Vukosavljevic – Aart Strootman – Chaz Underriner – Thea Derks – Ethan Braun (hidden) – Sky MacKlay (c) Herre Vermeer

Herwaardering muziektraditie

Tijdens de concerten op donderdag van de Australische cellist Alistair Sung en ensemble IEMA bleek hoezeer jonge componisten de muziektraditie weer omarmen. De Amerikaanse Caroline Shaw (1982) baseerde In manus tuas voor cello solo op het gelijknamige motet van Thomas Tallis. Zij verweeft sonore flarden oude muziek organisch met moderne, meer industriële klanken. Het stuk werd stijlvol uitgevoerd door Sung.

De Japanse Yukiko Watanabe (1983) deconstrueert Bachs Goldberg Variationen in Nue voor piano en ensemble. De pianist vertolkt – hortend en stotend – het origineel, als een schim gevolgd door een koto en een onder de vleugel gezeten klarinettiste. Een slagwerker bespeelt een bloempot en projecteert vergeelde vakantiekiekjes. – Een mooi zinnebeeld van onze langzaam vervagende herinneringen, aan Bachs muziek en ons eigen verleden.

De Schotste Genevieve Murphy (1988) figureerde zelf als verteller annex zangeres in Squeeze Machine, geïnspireerd op het leven van haar autistische broer. In dit theatrale stuk debiteert zij met uitgestreken gezicht surrealistische teksten over de door angst en eenzaamheid gekwelde ‘Artuur’. Diens in zichzelf gekeerde personage wordt geregeld opgeschrikt door lawaaiige opnames uit een overvolle kroeg, waar accordeon- en doedelmuziek wordt gespeeld. Het vermakelijke stuk werd perfect en in opperste concentratie uitgevoerd door het IEMA Ensemble, een academie voor jonge musici van Ensemble Modern.

Genevieve Murphy performing ‘Squeeze Machine’ with IEMA Ensemble, Theater Kikker 7-9-2017

Apocalyptische smeekbedes

Klapstuk van de donderdag was de wereldpremière van Lacrimosa voor zeven violen van de Oekraïens-Nederlandse componist Maxim Shalygin (1985). Hij had zich altijd afgevraagd waarom het traditionele Requiem maar één lacrimosa bevat, de smeekbede van zondaars om mededogen en eeuwige rust. ‘In mijn beleving is dit deel het magische brandpunt waarin alle belangrijke ideeën samenkomen’, schrijft hij in een eigen toelichting. ‘Misschien daarom is het steevast ook het mooiste deel: vol gevoelens van pijn en catharsis. Langzaam maar zeker vormde zich bij mij het plan ook zelf een soort requiem te componeren.’

Dat werd Lacrimosa, or 13 Magic Songs. Shalygin dirigeerde zelf de zeven violisten van het mede door hem opgerichte ensemble Shapeshift. Lichtvoetige, elkaar innig omstrengelende motieven (‘Light’), omineus gezoem (‘Insects’) en verwoed over de snaren kolkende arpeggio’s (‘Stream’) worden afgewisseld met momenten van pure, etherische schoonheid (‘Lullaby’), driftige pizzizati (‘Rain’), gierende glissandi (‘Sirens’) en furieus wapengekletter (‘Prayers’).

lacrimosa

Shapeshift & Maxim Shalygin, TivoliVredenburg 7-9-2017 (c) Herre Vermeer

Shalygin voert ons door een scala aan emoties, waarin gevoelens van wanhoop, vrees en woede overheersen; de apocalyps is nooit ver weg. De op blote voeten spelende musici leken met hun woest bewegende lijven en armen soms onder hun zware taak te bezwijken. Hun totale overgave droeg sterk bij aan een enerverende luisterervaring.

Lacrimosa werd gecomponeerd in opdracht van de Gaudeamus Muziekweek. Het festival heeft de afgelopen jaren het accent verschoven naar communicatieve muziek en merkbaar meer aansluiting gevonden bij een algemeen publiek; de concerten van Sung en IEMA waren goeddeels uitverkocht.

Of met Shalygins intense, tot het hart sprekende Lacrimosa voorgoed een punt wordt gezet achter de academische ‘piep-knor’, zal nog moeten blijken, maar de teerling is geworpen. Na afloop van het concert werd het publiek gevraagd een cd-uitgave van Lacrimosa werk te helpen realiseren via Voordekunst. Mijn advies: doen!

De Gaudeamus Muziekweek loopt nog tot en met zondag 10 september. Dan wordt ook de winnaar van de Gaudeamus Award 2017 bekengemaakt. Surf voor meer info en kaarten naar: https://gaudeamus.nl/

 

Advertisements
Posted in music, news, review | Tagged , , , , , , , , , | 5 Comments

Interactief muziektheater over vluchtelingen in Festival Oude Muziek

Van een festival gewijd aan oude muziek verwacht je veel, maar geen actueel muziektheater. Toch is dat precies wat artistiek leider Xavier Vandamme voor ons in petto heeft. Op zaterdag 26 en zondag 27 augustus presenteert straattheatergroep Kamchátka Musica Fugit, een voorstelling over vluchtelingen. Als bezoeker wordt je zelf onderdeel van het verhaal, om te ervaren wat het betekent als vluchten een manier van leven wordt. – Stevig schoeisel aanbevolen.

Toen Vandamme dit ‘improvisatorisch en interactief muziekavontuur’ programmeerde, kon hij niet bevroeden hoe dicht dit op de huid zou zitten van de realiteit. Kamchátka ontstond in 2006 in Barcelona. Het is een collectief van artiesten met verschillende nationaliteiten die een interesse delen voor immigratie. Onder leiding van Adrian Schwarzstein maakten zij verschillende producties rond het thema van de ontheemde, die zijn weg moet vinden in een vreemde wereld.

Bloedige godsdiensttwisten

De thematiek van Musica Fugit sluit naadloos aan bij het festivalthema ‘zing, vecht, huil, bid’, waarmee deze editie inzoomt op de verschillende (contra)reformaties. Religieuze twisten gaan veelal hand in hand met bloedvergieten en dat geldt evenzeer voor de christelijke wereld. Hervormers als Maarten Luther en Johannes Calvijn wilden de katholieke Kerk weliswaar vreedzaam hervormen, maar werden te vuur en te zwaard bestreden door de paus en rooms-katholieke vorsten.

Desondanks groeide de aanhang van de hervormingsgezinden razendsnel. Dit leidde tot verschillende godsdienstoorlogen en daarmee gepaard gaande vluchtelingenstromen. Zo bracht de Franse koning Lodewijk XIV in 1685 een massale migratie op gang toen hij het Edict van Nantes herriep. Dit betekende het einde van de tolerantie jegens protestanten, waarop honderdduizenden hugenoten een veilig heenkomen zochten in Engeland en de Nederlanden.

Generositeit of egoïsme?

In Musica Fugit plaatsen Schwarzstein en zijn collectief de vlucht centraal. – Niet in de zin van een ontsnapping, maar als vorm van verzet in een gevecht voor een betere wereld. Zij thematiseren tevens de solidariteit van medemensen die de vluchteling helpen zijn nieuwe leven vorm te geven. Kamchátka wordt voor de gelegenheid uitgebreid met het ensemble Zamus Kölln. Samen belichamen zij de ‘tijdloze immigranten’, die hun realiteit van de ene op de andere dag zien veranderen en een vertrouwd verleden verruilen voor een onzekere toekomst.

Theatergroep en musici voeren ons naar diverse ruimten en toevluchtsoorden. Zij creëren een beladen, mysterieuze sfeer onder de klanken van componisten als Barbara Strozzi en Johann Sebastian Bach. Met de sopraan Emma Kirkby – koningin van de oude muziek – als kers op de taart. Tijdens de tocht wordt het publiek zelf onderdeel van het drama, met de muziek als enige communicatiemiddel tussen uitvoerder en toehoorder. Zo ontstaat, ‘zonder woord, gebaar of fysiek contact een vorm van nabijheid en betrokkenheid’, die ruimte geeft aan ‘mijmeringen rond individualiteit en generositeit’.*

De vraag wordt niet expliciet gesteld, maar Schwarzstein en de zijnen houden ons een morele spiegel voor. Zijn wij bereid de hulpzoekers te verwelkomen, of steken we onze kop egoïstisch in het zand? – Dapper dat het Festival Oude Muziek zo’n zwaar beladen thema durft aan te snijden.

Voor Radio 4 maakte ik een reportage, die zaterdag 26 augustus werd uitgezonden in de pauze van het Avondconcert van AVROTROS. U luistert hem hier terug.

*Aldus het persbericht. Tijdens de voorstelling was er echter juist opvallend veel fysiek contact, wij werden als deelnemers zelfs enkele malen stevig omarmd…

Musica Fugit
za 26 aug, 10.00 + 14.00 uur, Leeuwenbergh
zo 27 aug, 10.00 + 14.00 uur, Leeuwenbergh
Info en kaarten

 

Posted in music, news | Tagged , , , , , , | Leave a comment

New website catalogues persecuted Dutch composers

On Wednesday, 20 June, Kajsa Ollongren launched the website Forbidden Music Regained. This catalogue of composers persecuted by the Nazi’s was initiated by the Amsterdam based Leo Smit Foundation. The city’s deputy mayor and alderman called the project ‘a giant leap for mankind’, quoting the astronaut Neil Armstrong.

Ollongren continued: “The website is important to Amsterdam because we can and may not forget what happened seventy years ago in our town. It is an honour to launch it.” – Striking detail: under Ollongren’s responsibility, the support of the Leo Smit Foundation was stopped.

Kajsa Ollongren launches website Forbidden Music Regained, Uilenburgersjoel 20-6-2017

Driving forces behind this large-scale project are the flutist Eleonore Pameijer, initiator and artistic leader of the Leo Smit Foundation, and manager Carine Alders. With stubborn perseverance they searched domestic and foreign archives for information about Dutch ‘degenerate’ composers. – Most of whom lost their lives in concentration camps during World War II. Pameijer and Alders assembled an archive of almost 2000 works and sound recordings.

The launch of the website was preceded by an international symposium. Pameijer: “Together with the chairman of our board, I went to Kajsa Ollongren. We said: “We have not come to complain about the Amsterdam council’s decision to stop supporting us, but to ask for a contribution to the symposium. – Moreover we want you to personally launch the website.”

Ollongren gave them € 3500 for the symposium and promised she would indeed launch the website. Pameijer: “She was bowled over when she learnt what we’ve achieved in the past two decades. In addition to a successful – subsidized – concert series, we published the book Vervolgde componisten in Nederland (Persecuted composers in the Netherlands) in 2015, without any form of public funding. We also organized an accompanying exhibition and concerts in the Amsterdam City Archive.

International symposium

In order to realize all this, the Foundation managed to collect € 80,000 in private gifts. And with support from music shop Broekmans & Van Poppel, the Dutch label Et’cetera released a ten-CD box of forbidden music. Pameijer: “This release got great reviews in the BBC and Gramophone magazines, but hardly drew attention in the Netherlands. There was one positive review in the music magazine Luister (Listen) and an offer in Klassieke Zaken (Classical Matters).

International bigwigs gave talks at the symposium. Pameijer: “We deliberately chose people who really relate to the subject. We did not want hotshots that are only invited for their name. I’m proud that we were able to engage Abram de Swaan. He is a great thinker and sociologist, who views everything from a much wider context than, for example, a musicologist or music journalist.

Frank van Vree, the new director of the NIOD (Dutch War Archive), was one of the speakers, too. Pameijer: “At first he was reluctant, because he doesn’t know much about music. But he has a vast knowledge of the period and its history, so it was very interesting to hear him speak about this.”

The flutist is perhaps even more thrilled by the presence of Albrecht Dümling from Musica Reanimata Berlin. “Over the years we have assembled a lot of international contacts. None of them had ever heard of the composers we’d unearthed, and they were invariably excited about their music. Dümling even invited us to present a complete program on Rosy Wertheim, that was broadcast live on the radio. It was a huge success.”

Wealth of information

Forbidden Music Regained offers a wealth of information about persecuted Dutch composers. The site is excellently searchable, offering biographies, sheet music, recordings, manuscripts and audio clips. For example, when you type ‘Rosy Wertheim’ in the search box, a list of 114 compositions pops up. The search can be refined further, e.g. on length, period of origin, orchestral or chamber music and the like. You can listen to Wertheim’s lively Sonatina for piano.

With this new website the Leo Smit Foundation has once more proved itself to be an indispensable knowledge center for persecuted composers.

Patricia Werner Leanse made a video documentary of the presentation.

Posted in archive, music, news | Tagged , , , , , , , , , , | Leave a comment

Cd-box Kurtág: already historic

The three-piece CD box with choir and ensemble works by György Kurtág is overwhelming. His soul-piercing sounds are sublimely interpreted by Reinbert de Leeuw et al. Also, the recording is impeccable. This box is already historic, a monument to the Hungarian master, who turned 91 last February.

Kurtág’s existentialist music has been performed in The Netherlands since the mid-1970s, by pioneers such as the pianist Geoffrey Madge and Residentie Orkest (The Hague Philharmonic). However it gained real fame only after the 1990s, when Reinbert de Leeuw became its tireless promoter. De Leeuw dedicated many memorable concerts to this master of the concise gesture, with whom he forged a close bond.

Language

On this edition of the adventurous German label ECM, Reinbert has even surpassed himself. With his unwavering urge to push for the essence of a composition, he inspired Asko|Schönberg, Dutch Radio Choir and a selection of soloists to realize intense and animated interpretations.

Kurtág was too fragile to attend the recordings personally, but was consulted extensively before and after each session. He is very pleased with the result: “It’s as though they had recorded the music in their own language.” He spoke these words in a moving video message during a portrait concert in Muziekgebouw aan het IJ in 2016.

György Kurtág in video message – seated next to his inseparable wife Márta

A telling statement, for language is extremely important to Kurtág – in more ways than one. He created a completely personal grammar from tormented, aphoristic sounds, that well up from a deep inner necessity. Reinbert de Leeuw mastered this language like no other. Seven of the eleven pieces on the compilation are vocal. Kurtág even learnt Russian to read Dostoevsky; three cycles are set in this language.

Complete novel in seconds

Of these the best known is Messages from the late Miss R.V. Troussova, which signalled his breakthrough in Western Europe in the 1980s. In 21 miniatures, a soprano relates bitter love experiences. The longest song lasts 3 minutes, the shortest 22 seconds. However, in these brief periods of time, Kurtág sketches complete novels.

The Russian soprano Natalia Zagorinskaya brings across every subtle nuance, her pure and secure voice moving effortlessly between the highest and lowest registers. In the equally flawless ensemble – with atmospheric horn and cimbalom – we hear references to Schönberg’s Pierrot lunaire. Zagorinskaya also shines in Achmatova Songs which Kurtág dedicated to her, and in Four Capriccios on texts by István Bálint. These originated between 1959 and 1973 and form the opening of the CD-box, which is chronologically arranged.

György Kurtág & Reinbert de Leeuw (c) Co Broerse

Lesser known pearls

Some pieces may almost be called popular. For instance Grabstein für Stephan, with its simple, recognizable motif on the guitar’s open strings. The Beethoven-inspired … quasi una fantasia … for piano and ensemble is a modern classic, too. Equally well known, but less often played is the Double Concerto for piano, cello and ensemble, with pianist Tamara Stefanovich and cellist Jean-Guihen Queyras as superb soloists.

There are also lesser known pearls. Like the Four Songs on Poems by János Pilinszky, with the glorious baritone Harry van der Kamp. The Songs of Despair and Sorrow for choir and instruments are not often performed either. In some 20 minutes, the Dutch Radio Choir switches between ultra-soft whispering, shattering shrieks, desolate lament and excited joy. At times we seem to find ourselves at a Russian village party – Kurtág even included a bayan, a Russian accordion.

Highlight

The highlight is Samuel Beckett: What is the Word, composed in 1991 for the Hungarian actress and singer Ildikó Monyók. She lost her voice in a traffic accident, but recovered it with utmost effort. Grunting and groaning, her pain almost tangible for the audience, she sang a poem about aphasia by Samuel Beckett, in a Hungarian translation. A crushing experience – live as well as on cd.

Monyók died in 2012, but Reinbert de Leeuw was determined to record the piece anew. The extremely critical Kurtág resolutely rejected every suggestion – until he heard a recording by the mezzosoprano Gerrie de Vries. “We found her!”, he called out. And he is right. With her hoarse, gritty voice De Vries makes you involuntary grab your throat. – As if you are prevented from speaking yourself.

In short, music, performance and recording are immaculate. The only minor point is the somewhat awkward documentation. The performers are not listed together with the pieces, but elsewhere in the booklet; you have to find out yourself how long a piece lasts; on the individual cd-covers track numbers are missing.

Troublesome for radio programmers such as me. For the rest: nothing but praise. As a matter of fact I’m airing the recordings in several episodes of my programme Panorama de Leeuw. – Kurtág’s music cannot be heard often enough.

ECM Records: György Kurtág, Complete Works for Ensemble and Choir 3-cd’s € 37,99
Panorama de Leeuw 5 juli 2017: Kurtág: 4 Capriccio’s; What is the Word; …quasi una fantasia…; Double Concerto opus 27 nr. 2
Panorama de Leeuw 2 augustus 2017: Kurtág: Four Songs to Poems by János Pilinszky; Messages fom the Late Miss R.V. Troussova; Songs of Despair and Sorrow. J.S. Bach/ arr. György Kurtág: Das alte Jahr vergangen ist. Hommage à R.de Leeuw
The biography  Reinbert de Leeuw, mens of melodie zooms in on the relation between De Leeuw en Kurtág.
Posted in music, review | Tagged , , , , , , | 1 Comment

Waarom David Lang de Matthäus-Passion koppelt aan een sprookje

Een passie wijden aan een sprookjesfiguur? De Amerikaanse componist David Lang draait er zijn hand niet voor om. Hij baseerde zijn koorwerk the little match girl passion op een sprookje van Hans Christian Andersen. Donderdag 6 juli wordt het uitgevoerd door het Nederlands Kamerkoor in het Muziekgebouw aan ’t IJ. Het concert vormt onderdeel van de Koorbiënnale en wordt verlevendigd met dans.

Christelijke puurheid

David Lang schreef het libretto zelf en gebruikte niet alleen teksten uit Het meisje met de zwavelstokjes, maar ook uit de Matthäus-Passion van Bach. Hij ziet namelijk een verband tussen het lijden van Christus en het lijden van de doodgevroren luciferverkoopster. Hij beschouwt Andersens sprookje als een allegorie van armoe en geloof. ‘Het meisje lijdt, wordt veracht door de omstanders, sterft en wordt verlost. Ondanks alles bewaart zij haar christelijke puurheid.’

Voor Lang ligt de kracht van het verhaal niet zozeer in de plot zelf, als wel in de subtiele tegenstellingen. ‘Alle onderdelen – de gruwelijkheid en de schoonheid – zijn continu doortrokken van hun tegendeel. Het bittere heden van het meisje wordt verzacht door zoete herinneringen; in haar armoede blijft ze toch steeds hoopvol. Er is een soort naïef evenwicht tussen lijden en hoop.’

Richard Oppel, Pulitzer Board co-chair (left), presents the 2008 Pulitzer Prize in Music to David Lang

Publiek wordt deelgenoot

De stap naar de Matthäus-Passion van Bach was snel gezet. ‘Het interessante is dat deze ook teksten bevat die niet direct gerelateerd zijn aan het eigenlijke verhaal. Zoals reacties van de omstanders, boetvaardige gedachten, uitingen van algemeen verdriet, geschokthei of berouw.’

Dit gebeurt vaak in de vorm van koralen die de kerkgangers meezongen. Een ideale vorm volgens Lang. ‘Door het verhaal tegelijkertijd te vertellen en becommentariëren worden wij in het centrum van de actie geplaatst. We worden deelgenoot van de treurige gebeurtenissen op het toneel.’

Devote sfeer

De devote sfeer van the little match girl passion herinnert soms aan madrigalen en Byzantijnse gezangen. De koorleden zingen niet alleen, maar bespelen ook eenvoudige slagwerkinstrumenten. Mede door het repetitieve karakter van de muziek wordt het idee van een ritueel hierdoor versterkt.

In 2015 maakte vocaal ensemble Silbersee een geënsceneerde versie, die het publiek tot tranen roerde. Tijdens de uitvoering door het Nederlands Kamerkoor voegen twee danseressen een extra laag aan de tragedie toe. Volgens het persbericht is choreografe Neel Verdoorn ‘net zoals David Lang gefascineerd door de akeligheid versus de hoop’.

The little match girl passion werd onderscheiden met een Pulitzer Prize. ­– Net als Anthracite Fields van collega Bang on a Can componist Julia Wolfe, dat afgelopen zondag in de Koorbiënnale werd uitgevoerd. Benieuwd of het lijden van het zwavelstokmeisje net zo’n impact heeft als het lijden van de (jonge) mijnwerkers.

do 6 juli Muziekgebouw aan ‘t IJ 20.15 uur
Nederlands Kamerkoor / Peter Dijkstra
Info en kaarten 
Posted in music, news | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Stockhausen met opgestoken middelvinger #HF17

Soepel dalen ze de trap af van het Amsterdamse Concertgebouw. Lucas en Arthur Jussen zijn dressed to kill. Met hun kek gesneden, doorzichtige kostuums hebben ze de eerste slag al binnen nog voor ze één noot gespeeld hebben van Mantra van Karlheinz Stockhausen. Niet alleen in hun outfit, maar ook in hun eigenzinnig spel tonen de jonge pianisten lef. Heerlijk, zo’n frisse wind in de toch wat stijve modernemuziekwereld.

Opgestoken middelvinger

De Jussens zijn voor niets en niemand bang en durven een eigen visie te presenteren. Een half jaar hebben ze gerepeteerd op het iconische meesterwerk voor twee pianisten, slagwerk en elektronica. En dat zullen we weten ook. Gaat Mantra vaak ten onder aan loodzware ernst, de twee jonge honden voeren het met aanstekelijk spelplezier uit. Geregeld krijgen zij de lachers op de hand. Bijvoorbeeld als ze een wedstrijdje doen wie een motief het meest virtuoos kan uitvoeren en Lucas ‘boos’ zijn middelvinger opsteekt.

Hilarisch is ook het moment waarop ze tegenover elkaar staand een luide kreet slaken, die verdacht veel lijkt op het ‘hojotoho’ uit Wagners Ring. Een paar keer klinkt hij spatgelijk, dan opeens zwijgt Arthur en staat Lucas met zijn geschreeuw voor joker. Met een ‘geïrriteerd’ gebaar gaat hij weer zitten. Nooit eerder hoorde ik deze compositie zo lenig en soepel uitgevoerd.

Schaamteloos romantisch

Alert op elkaar reagerend geven de pianisten een intense interpretatie ten beste, die schaamteloos romantisch is. Ik zou haast zeggen: ze maken muziek van de modernistische materie. Op momenten voeren ze ons zelfs mee naar de verdroomde klankwereld van Claude Debussy; de toccata voor het einde klinkt lekker jazzy. En waar Stockhausens theatrale aanwijzingen vaak tot gegeneerd gegniffel leiden, geven Arthur en Lucas deze een innemende vanzelfsprekendheid.

Dat Mantra bij hen een stuk langer duurt dan gebruikelijk – ruim 80 in plaats van de voorgeschreven 65 à 72 minuten – bewijst eens te meer hoe sterk ze zich deze muziek hebben eigen gemaakt. Enkele verstokte puristen mokken over hun vrije aanpak, maar de uitverkochte zaal laat zich ademloos meevoeren; zelfs kleine kinderen zijn opvallend stil. Dit concert van de Jussens is in één woord fenomenaal, een hoogtepunt van het Holland Festival.

Gehoord 24 juni in Holland Festival Proms, Concertgebouw Amsterdam 

Foto credit: Arthur & Lucas Jussen 24-6-2017 (c) Ada Nieuwendijk

Posted in music, review | Tagged , , , , , | 2 Comments

Huba de Graaff: ‘Art must be provocative’ #HF17

The artist’s duo Gilbert & George had travelled to Amsterdam Stadsschouwburg to witness a spitting image impersonation by Christopher (countertenor) & Nigel Robson (tenor) in The Naked Shit Pictures by Dutch composer Huba de Graaff. She based her opera on a literal transcript of a television interview of Theo van Gogh with Gilbert & George in 1996. It was premièred in the Holland Festival to great acclaim on Thursday 21 June, and can be heard there once more on Friday 22 June.

Huba de Graaff with Gilbert & George, Christopher & Nigel Robson and Xander Vledder, Stadsschouwburg Amsterdam 21 June 2017 (c) Jessica Uijttewaal

I interviewed De Graaff for the programme book, and for a pre concert talk (it was streamed live, see below).

In 1969 Huba de Graaff saw Gilbert & George posed as living sculptures on the stairs of the Stedelijk Museum Amsterdam, in 1996 she perused their Naked Shit Pictures in the same venue. Now she presents her opera The Naked Shit Songs, based on an interview of Theo van Gogh with the artists about this controversial exhibition. De Graaff: ‘Art must be provocative.’

Huba de Graaff (Amsterdam, 1959) operates somewhat in the margin of Dutch musical life, creating music theatre on a wide variety of subjects most people would not readily associate with opera. Electronics and visuals are a given, often examining the relation between man and machine. In her opera Lautsprecher Arnolt (2003) the main roles are performed by loudspeakers; in The Death of Poppaea (2006) cameras abound; in Liebesleid (2017) a woman trains off her lovesickness, panting and puffing away during a fierce workout in a fitness centre.

Apera

A recurrent theme is the relation between speech and song. De Graaff: ‘To me it’s clear that singing came first, and that our spoken language developed from this over a long period of time. This is not only evidenced by the tone languages that have survived to this day, but also by the fact that both children and demented elderly people sing. Singing makes it easier for us to remember and cherish important events.’

To prove her point De Graaff studied the way monkeys communicate, basing her Apera (2013) on her findings: ‘Surprisingly their shrieks and shouts at times come very close to renaissance polyphony.’ She went a step further in Pornopera (2015), crafting the libretto from the lustful moaning and groaning of a copulating couple. Or, in her own words: ‘everything that happens with your voice BEFORE you start singing’. In The Naked Shit Songs she approaches the theme from the opposite angle: ‘I call it a “retropera”, because now I’m turning spoken language into song.’

Television interview on Naked Shit Pictures

The idea for the opera was suggested by the actor/singer Jan Elbertse, with whom she had worked before. ‘In 1996 he had videotaped a television interview from Theo van Gogh with Gilbert & George on their exhibition The Naked Shit Pictures. I am a great admirer of theirs, and was fascinated by how light-heartedly they discuss precarious themes such as love, tolerance, homosexuality and Islam. I decided to set the entire interview to music, including all the repetitions, hesitations and slips of the tongue. It took me a month to type everything out.’

Van Gogh was controversial because he was a thoroughbred provocateur, openly ranting against Islamic people, sometimes even calling them backward goatfuckers. De Graaff: ‘I absolutely abhor such aggressive statements. Fortunately he refrained from them in his talk with Gilbert & George, for he was a great interviewer. He asked the right questions, putting his guests at ease while avidly smoking cigarette after cigarette.

You see Gilbert & George gradually relax, even becoming a bit tipsy in the end. I was struck by how much our world has changed since 1996. Nowadays it’s unthinkable anyone would smoke or drink alcohol on television, let alone innocently address politically incorrect subjects. Since 9/11 and the assassination of Theo in 2004 the Western world has completely lost its innocence.’

Art must ask questions

While working on the typescript her already high esteem for Gilbert & George intensified: ‘I love their motto “Art is for all”, and how they keep stressing their work should be understandable to taxi-drivers and children. With this in mind I composed very singable melodies.

I’m also impressed by their immense love and tolerance toward mankind. Especially striking is their reiterated praise for Islam, referring to it as a religion of love. They call themselves Christian artists, though admitting to being “very unchristian” and fearing Christian fundamentalists. Thus they continuously raise uneasy issues, which to me is the essence of art: it must ask questions and be provocative.’

Gentlemen showing their arses

Gilbert & George are usually immaculately dressed, but in their Naked Shit Pictures the purebred British gentlemen relentlessly expose their bare buttocks and create images from their own excrements. De Graaff: ‘This inspired me to design a “turd-theme’, a bass run that keeps popping up in different guises, while my musical structure mirrors how they model their turds into strict but florid and beautiful frameworks.’

Naked from Shitty Naked Human World 1994 . 338 x 639 cm (c) Gilbert & George

The Naked Shit Songs has six movements, each comprising exactly a thousand words, preceded by a prologue of fifty and concluded with an epilogue of seventy-five words. This layout may seem haphazard and rational, but was consciously chosen. De Graaff: ‘Thus I avoided for my opera to become kitschy, for it could easily have turned into a mere succession of jaunty songs. Shaping my material into a tough structure made it possible to introduce a new version of the theme with each subdivision.’

Choir doubles Gilbert & George

The first part is spoken, only after a thousand words Gilbert & George burst into song. De Graaff: ‘They start on a scream that follows their explanation of how they make their images: …we go into a black bag. And inside this bag we shout: Aaaaaah! Halfway through also Theo starts singing. They are accompanied by a musical ensemble of double bass, piano, synthesizer, electric guitar and percussion, and a choir that doubles their lines or interjects its own comments. For this I engaged the GALA-Choir, consisting of gay and lesbian singers.’

Because of the frequent references to Islam, the composer was convinced she also needed a choir with a Muslim background. This proved less simple to realise than she’d thought: ‘I have many Kurdish friends who drink alcohol and come to see my opera’s. They were not daunted by Apera or Pornopera and responded enthusiastically when I told them about my Naked Shit Songs.

‘Muslim choir’

Some of them were even willing to sing in the ‘Muslim choir’, yet after reading the libretto they demurred. They condemn Theo’s murder as a matter of course, but it’s one thing to be open-minded and another to ignore how deeply he had offended the Quran. I had underestimated the pressure they feared to encounter from the Islamic community. At the time of the interview there was still a dialogue, now everyone is continuously walking on eggshells.’

Precisely for this reason she became even more determined: ‘In these troubled times dialogue is absolutely indispensable, on all possible levels. So I vented my disappointment to my local Turkish grocer: Why can’t I find a Muslim choir? This proved to be a stroke of luck. He suggested contacting Selim Dogru, a Turkish-Dutch composer who leads the reART World Music Choir. Selim at once agreed to take part in my opera, as did his singers, who all read the manuscript closely. They know exactly what it’s about and consider it an important project.’

The ‘Muslim choir’ enters towards the end of the opera, where the murder of Van Gogh is subtly suggested. De Graaff: ‘An electric guitar solo sets in. Gilbert sings: It’s finished, it’s dead. Theo gets up and leaves the table. Pandemonium breaks loose. Wham! Wham! Wham! The choir belts out: money, race, sex, religion, while Gilbert & George once more stress how kind Muslims are.

In the end we shortly hear Theo’s real voice: So that’s why you love to be surrounded by Muslim people? Then things quieten down, and everyone sings along with the ‘Muslim choir’: Imagine the lives of all the people at this moment in the world, wherever they are. These were George’s last words in the interview. It’s such a powerful and soothing text, but each time I hear it I get goose bumps, for we all know what happened hereafter.*

*Theo van Gogh was brutally murdered by an islam fundamentalist on 2 November 2004

My pre concert talk with Huba de Graaff was streamed live on YouTube.

Posted in music, news, women composers | Tagged , , , , , , , | Leave a comment

Karlheinz Stockhausen: Orchester-Finalisten vol jeugdig elan #HF17

In de aanloop naar het Stockhausen-retrospectief in 2019 klonk dinsdag 20 juni Orchester-Finalisten in Muziekgebouw aan ’t IJ. Twaalf studenten van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag tekenden voor een levendige uitvoering, vol jeugdig elan. Het publiek beloonde hen terecht met een ovationeel applaus.

Fris en jeugdig

Het in 1995 gecomponeerde ensemblestuk Orchester-Finalisten, de tweede scène uit Mittwoch aus Licht is fris en jeugdig. Dit deel van de operacyclus Licht is gewijd aan de samenwerking en verzoening tussen Michael, Eva en Lucifer, de drie hoofdpersonen. Twaalf musici spelen in de woorden van de componist ‘hoog in de lucht. De afzonderlijke solisten vliegen dichterbij, ieder in en boven zijn eigen ruimte’. Zij doen auditie voor een plaats in een orkest, begeleid door een tapecompositie met elektronische klanken en opgenomen omgevingsgeluiden.

Geestige klankprojecties

Deze komen via acht rondom ons opgehangen luidsprekers tot ons. Met kinderlijk plezier geeft Stockhausen elke musicus een eigen klankprojectie mee. Hoboïst Leon Westerweel speelt een vurige partij in de ingetogen akoestiek van een kathedraal. Celliste Begonia Chan pareert dapper het ruisen en klotsen van de zee. We horen vliegtuigklanken bij schelle multiphonics van klarinettist Daniele Zamboni; een tjoekende stoomlocomotief bij ronkende lijnen van fagottist Sjoerd Frishert en vogelgekwetter bij een springerige vioolpartij van Marieke Kosters.

Tirza Leenman & studenten Koninklijk Conservatorium (c) Ada Nieuwendijk

Theatrale gebaren

Allengs worden de studenten vrijer en brengen zij ook Stockhausens theatrale aanwijzingen vol overgave en met kennelijk speelplezier over het voetlicht. Altvioliste Elisa Karen Tavenier spreidt diva-achtig haar armen nog voor ze een noot gespeeld heeft; fluitiste Tirza Leenman toont zich een ware ballerina. Soepel steekt zij haar instrument de hoogte in, een sprongetje makend om een nóg hogere noot te treffen.

Trombonist Nuno Silveira Texeiro kronkelt al glissandi spelend over de vloer. Een mummie (Josselin Antoine) ‘verlost’ hem met een ferme bekkenslag uit zijn lijden. Het stuk besluit met een kort tutti, vanuit de zaal ingezet door de hoornist (Simão Caetano da Fonseca). De studenten spelen hun hondsmoeilijke partijen uit het hoofd. – Bijna vlekkeloos.

Trombonist (c) Ada Nieuwendijk

Hoorniste overstemd door elektronica

Helaas was het voor de pauze geprogrammeerde NEBADON voor hoorn en tape minder geslaagd. Dit is het 17e uur uit de cyclus Klang, die Stockhausen bij zijn dood in 2007 onvoltooid achterliet. Hoorniste Christine Chapman treedt aan in oranje tuniek en witte broek en speelt trefzeker haar virtuoze partij. De in wezen romantische solo wordt echter overstemd door luide, elektronische klanken die eveneens octotonisch op ons worden afgevuurd.

Op den duur gaat het almaar rondom ons cirkelende bombardement aan klanken zelfs irriteren: zonde van die mooie hoornpartij. Je krijgt bijna medelijden met Chapman, die zich echter kranig staande houdt. Na een sierlijke pirouette aan het slot trekt zij zich waardig terug in de coulissen.

Christine Chapman (c) Klaus Rudolph

Maar de aanstekelijke uitvoering van Orchester-Finalisten maakt de avond helemaal goed. Met hun toegewijde en verzorgde spel bewijzen de studenten niet alleen hun hoge kwaliteit, maar geven zij bovendien de sombermensen het nakijken die ageren tegen het Stockhausen-retrospectief.. Een geweldig initiatief dus van Koninklijk Conservatorium, Holland Festival en De Nationale Opera om Stockhausens in 2019 centraal te stellen. Door jonge mensen actief te betrekken bij de uitvoeringspraktijk blijft zijn erfgoed behouden voor de toekomst.

Zaterdag 24 juni storten de pianobroers Lucas en Arthur Jussen zich op Mantra. Ik kan niet wachten!

Holland Festival Proms, za 24 juni 19.30 uur Concertgebouw: Arthur & Lucas Jussen spelen Mantra van Stockhausen

Posted in music, review | Tagged , , , , , , | 2 Comments

Julia Wolfe: ‘Anthracite Fields is my emotional response to the coal mining history’

Even before I’ve asked one question, Julia Wolfe (1958) blazes away into an enthusiastic account of her multimedia oratorio Anthracite Fields. ‘It took me a year of research, reading, talking to people, visiting museums, going down into mining shafts and what have you. And I tell you, the visuals are a whole different level! Jeff Sugg did the same research and illuminates the story with these very slow, moving projections, incredibly powerful.’

In Anthracite Fields Wolfe zooms in on Pennsylvania coal mining life around the turn of the 20th century. She based her libretto on oral history, interviews, speeches, geographic descriptions, children’s rhymes and coal advertisements. She composed it for the Bang on a Can All Stars and the Mendelssohn Club of Philadelphia. They premiered it in 2014 to rave reviews; a year later it was awarded the Pulitzer Prize. On 2 July Anthracite Fields will have its Dutch première in the Dutch Choir Biennale, with Daniel Reuss conducting Bang on a Can, Cappella Amsterdam and Utrechtse Studenten Cantorij in Muziekgebouw aan ‘t IJ Amsterdam.

First ever commission from home state

It all started when conductor Alan Harler of the Mendelssohn Club asked Wolfe to write a new piece for them. ‘I was quite excited, for it was the first ever commission from my home state: I was born and raised in Montgomeryville Pennsylvania. The choir is based in Philadelphia, but the singers are from across the north-eastern part of the state. Some of them drive all the way down from the coal mining area around Scranton, not so far away from where I grew up. I decided to make our common heritage the subject of an evening long piece, similar to Steel Hammer about the legendary steel driving man John Henry.’

The commissioners gave Wolfe all the support she could wish for. ‘They even teamed me up with a guide to show me the region, Laurie McCants. She’s a theatre person who had made some pieces on subjects pertaining to the region, and had already conducted a lot of research herself. She happened to be a big Bang on a Can fan and we even had some friends in common. Each time I travelled down to Scranton from New York, she’d come and pick me up at the bus station and drive me around.’

Breaker Boys (c) Lewis Hine

Breaker Boys (c) Lewis Hine

Labour history

The idea to look into the life of coal miners came natural to Wolfe, who took classes in social sciences while at college. ‘I’ve always been interested in labour history, and Steel Hammer was the first work of this kind. It was based on the John Henry ballad about a man who dug a tunnel for the railroad but was outdone by a machine. That piece is more mythical, Anthracite Fields is purely based on facts, it’s a form of poetic history. It’s a kind of study and an emotional response to the anthracite coal mining industry in Pennsylvania.’

Wolfe grew up near, not in the coal mining area, which had a mysterious appeal to her as a child. ‘My grandmother was from Scranton, her parents ran a grocery store there. She moved to Philadelphia as soon as she got a chance, from where my parents later moved to Montgomeryville. I spent most of my childhood on a dust road, surrounded by woods. We would regularly drive out to go to concerts or have dinner in a restaurant. Once you got to the 309 you could either turn left to Scranton or right to Philadelphia. We mostly took the right road. I knew the Pocono Mountains were up left, but my parents never explored into that direction.’

Blacker than pitch

During her research Wolfe visited the Pennsylvania Anthracite Heritage Museum in McDade Park in Scranton: ‘It was amazing! You wind down country roads and then find this tiny little museum in the middle of nowhere. It depicts everything about the industry and what the life was there. Three fantastic historians walked me around, explaining, showing slices of earth, photographs, geographical diagrams and other exhibits. Jeff Sugg went there as well. At first he thought he might not use any photographs, because it would be too direct. But they are so beautiful that he wound up incorporating them, along with maps of the region, advertisements and all kinds of other things. His visuals are stunning.’

Wolfe also descended into several mine shafts: ‘Retired miners take you all the way down to the lower part of the earth in this little cart-train-thing, following the original track they formerly used themselves. Once you get to the bottom the guys will walk you through different tunnels and passageways. For them it used to be their daily life, not a fun thing of course, but it’s very beautiful. The walls are shiny, there are these little medical aid stations in case something happened and they have something setup so you can see the scale and how far in they worked. The shafts are lit, but at one place they turn off the lights to make you experience how dark it gets. It’s pitch black! Darker than anything I know, even being in the country when there’s no city lights or anything.’

Anthracite Fields 4

Image from Anthracite Fields

Eerie whistling

Finding herself in these under-earthly surroundings, sounds and ideas inevitably popped into her mind. ‘When you’re hunting and gathering, you become hyper aware. Some things wound up in the piece as a response to what I saw visually, others are sounds that actually belong to that place. Different gasses escaping, an alarm going off that set everybody hurrying out of the mines. There were all kinds of dangers, and my music reflects on the experience of the workers.’

At several moments in Anthracite Fields we hear eerie whistling. Wolfe: ‘That’s a poetic response. I imagined a sort of cavernous sound, caused by the wind. In Steel Hammer there’s also some whistling, but there it’s a fragment of a tune. Here it’s odd, because the singers have to make harmonies out of it. They are used to finding the pitches singing, but getting the right pitch whistling is a bit more of a challenge. And these are not regular harmonies, but rather more unusual, dissonant ones. This was a new thing for me, I’d never written that kind of sound before.’

Aural memorial list

The whistling occurs for the first time in ‘Foundation’. While Bang on a Can create an inferno of heavy pounding and drilling, the chorus recites names. ‘I came across this Pennsylvania index of mining accidents. Pages and pages of names – of people who didn’t necessarily die, but were definitely injured. I decided to make an aural equivalent of the many powerful visual memorial lists I’ve seen. But there were so many names! So first I just took the one-syllable ones like John and Frank, but there were still too many, so I focussed on the Johns and also got rid of the two-syllable last names. Sung in hoquet: John Ash, John Ayres, John Cain you get a very strong, rhythmic chant. Towards the end I also use some more colourful names, like Sylvester Sokoski, Lino Tarinella, Premo Tonetti; many of the miners were immigrants.’

Setting their names was a demanding affair. Wolfe: ‘The names belong to people who were someone’s grandfather, father, brother or uncle. It’s important the choir should be aware of this, without over-emotionalizing. The interesting thing is, in every city in the States where we’ve performed Anthracite Fields people are responding. We had a performance in Los Angeles and I was like: there’s no coal mining out there. But afterwards someone came up to me and said: my grandfather is on the list! That was chilling. I asked what’s his name? And she said John Coyne – an unusual spelling indeed. These are such incredible moments, to actually meet the live people. For us it’s music, for them it’s family history!’

2 July, Muziekgebouw aan ‘t IJ Amsterdam 3 pm
Julia Wolfe: Anthracite Fields
Info and tickets

 

Posted in music, news, women composers | Tagged , , , , , , , | Leave a comment

Octavia.Trepanation #HF17: political opera remains problematic

The opening scene of Octavia. Trepanation is breathtaking. A Chinese terracotta army is positioned on either side of Lenin’s laurelled head. – The fighters are headless. Lenin’s brain will serve all, seems to be the suggestion. Associations with the image of Che Guevara in the opera Reconstruction pop into my head. But while the (anti-American) message of that 1969 production was brought across chyrstal clear, director Boris Joechananov and composer Dmitri Kourliandski only sow confusion. Political opera, it remains problematic

Red light, no red thread

On paper, this new production of the Holland Festival promised to shed an interesting light on the mechanisms of tyranny. Joechananov and Kourliandski bring together three historic rulers. The Chinese emperor who wants his soldiers to be buried along with him, the Roman ruler Nero destroying his own city, the Russian revolutionary Lenin who appears to be just as tyrannical as the tsar. The stage often bathes in blood-red light, as does Lenin’s opened skull. However, a ‘red’ thread in the story cannot be discovered.

Yet the opera sets out so well. The headless terracotta fighters sing sustained vocals, while Lenin’s skull is being lifted by means of a laser beam. Soon however things take a wrong turn. In Lenin’s brain the Roman philosopher Seneca appears. Baritone Alexei Kochanov has audible trouble with his uncomfortable part, switching between his low and falsetto registers. He recites his lines unaffected, against a background of vocalized chords and darkly-circulating electronic sounds. Why his voice – and the ones of the other soloists – should be amplified is a mystery. It sounds distant and unnatural.

No interaction or development

None of the characters gets the opportunity to develop in any way, nor is there any interaction between them. Instead of focusing on our (all too) human actions, Octavia.Trepanation merely offers a concatenation of texts as dry as dust. Therefore it’s impossible to identify with any of the characters. Also, the supposed relationship between all those static people on stage remains completely unclear. Why does Trotsky pop up in a setting with Nero and Seneca? What does Buddha do in Lenin’s head? No idea.

Endless inertia

In his own words, while composing Kourliandski ‘lifted the skull’ from the revolutionary, originally Polish song Varshavyanka from the nineteenth century. A favourite of Lenin’s we are told. Kourliandski stretched its melody a hundred times, but to what aim? Half an hour of slowly traversing, (sometimes dissonant) sounds does not make for exciting or engaging music. The constant shifting between long-standing tones in falsetto and faster phrases in the chest voice becomes annoying. As do the seagull-like shrieks of a women’s choir that suddenly appears in Lenin’s skull. Also the soundscape of continuous ominous droning electronics is too uniform to hold our attention.

Nazi-like legionnaires

The only moment we are (slightly) moved is when the spirit of Agrippina (the mezzosoprano Arina Zvereva) appears. Haltingly, almost whispering, she bewails the murderous nature of her son Nero. Choir and electronics create a sustained tension with softly murmuring sounds. A comic element are the four legionnaires, who look a bit like firemen in their red plastic suits and helmets. With resolute, sometimes Nazi-like gestures, they keep hustling about the terracotta army and the rest of the people.

Also the three centaur skeletons pulling a cart that serves both as Agrippina’s bier and Seneca’s bath evoke a little smile.

Yet these few more flippant elements cannot save this totally undramatic opera.

Heard Thursday 15 June, Muziekgebouw aan ‘t IJ Amsterdam, by Stanislavsky Electrotheatre., repeated there 16 June
Posted in music, news, review | Tagged , , , , , , | Leave a comment