Goeyvaerts en Oestvolskaja – man en vrouw met een hamer

Spectra Ensemble

In februari 2017 combineerde Het Collectief de radicale muziek van Galina Oestvolskaja met de hemelse gezangen van Hildegard von Bingen. Minder vreemd dan het lijkt, want beiden waren diep gelovig en componeerden vanuit innerlijke noodzaak. Donderdag 26 oktober plaatst het Spectra Ensemble Oestvolskaja naast Karel Goeyvaerts, onder de titel Radicale eenlingen in Muziekgebouw aan ‘t IJ. Oestvolskaja is hier te lande inmiddels genoegzaam bekend, maar wie was Karel Goeyvaerts?

Muzikale pionier

Karel Goeyvaerts werd in 1923 in Antwerpen geboren, de stad waar hij 70 jaar later ook zou overlijden. Hij studeerde er compositie aan het conservatorium en volgde muziekanalyse bij Olivier Messiaen in Parijs. Geïnspireerd door diens heldere analyses besloot Goeyvaerts de verschillende muzikale parameters als uitgangspunt te nemen voor zijn composities. Hij zette niet alleen de toonhoogte, maar ook toonduur, dynamiek, klankkleur en articulatie in een reeks waarop hij een stuk baseerde. Zo stond hij mede aan de wieg van het zogenoemde serialisme.

Het eerste resultaat was de Sonate voor twee piano’s, die hij in 1951 samen met Karlheinz Stockhausen uitvoerde in Darmstadt, het Mekka van de nieuwe muziek. Zoekend naar nog meer klankmogelijkheden ontdekte hij de elektronica en in 1953 schreef hij Compositie nr.5, het eerste werk dat was opgebouwd uit pure sinustonen. Maar terwijl Stockhausen en diens collega’s Pierre Boulez, Luciano Berio en Luigi Nono de seriële en elektronische muziek verder ontwikkelden, kreeg hij steeds meer behoefte aan ‘het menselijke’.

Aquarius

Goeyvaerts ging religieuze stukken componeren waarin hij stijlfiguren uit de Barok verwerkte, zoals in De passie voor orkest uit 1963. Bovendien experimenteerde hij met vocale nonsensklanken in composities als Goathemala voor mezzosopraan en fluit. In de jaren 70 liet hij zich inspireren door het Amerikaanse minimalisme en componeerde hij repetitieve stukken, met als eerste hoogtepunt vijf genummerde Litanieën voor uiteenlopende bezettingen.

Vanaf 1983 tot vlak voor zijn dood werkte Goeyvaerts aan Aquarius, een opera die zijn verlangen uitdrukte naar een ‘betere samenleving, waarin iedereen aan zijn trekken komt’. Zoals Stockhausen jarenlang zo’n beetje elke nieuwe compositie onderdeel maakte van zijn opera Licht: die Sieben Tage der Woche, zo beschouwde ook Goeyvaerts elk nieuw werk voortaan als een schets of voorstudie voor zijn eigen magnum opus. 

De titel Aquarius verwijst naar het astrologische idee van een nieuwe tijd die eind twintigste-eeuw zou aanbreken, als de wereld het tijdperk van het sterrenbeeld Waterman binnentrad. Dit zou een utopische maatschappij opleveren met volkomen gelijkwaardige intermenselijke verhoudingen.

Zum Wassermann

In 1984 schreef Goeyvaerts Zum Wassermann voor strijkkwintet, hout- en koperblazers, piano en slagwerk, dat nu wordt uitgevoerd door het Spectra Ensemble. Het is te beschouwen als een kamermuzikale blauwdruk van het eerste bedrijf van Aquarius. De vier delen corresponderen met de vier scènes van de eerste akte, waarin de mens een valse start lijkt te maken op weg naar de toekomst. Het ideaalbeeld wordt (nog) niet wordt bereikt.

In  ‘Vorspiel’ wordt de mens beknot in zijn individuele streven. Korte eruptieve motieven die maar niet echt op gang komen evoceren het geworstel van een gekooid wezen. Het hierop volgende ‘Erwachen’ begint als een uitbundige dans maar mondt uit in schrille dissonantie. Beukend slagwerk drijft de gevangene terug zijn cel in. – Een mooie parallel met het gehengst op een houten kist in Oestvolskaja’s Compositie nr. 2, ‘Dies Irae’.

In deel 3 ‘Wassermann-Gesang’ kringelen lyrische lijnen om en door elkaar in opperste harmonie. Dit verbeeldt de intuïtieve, ‘vrouwelijke’ visie op de nieuwe wereld. Het vierde en laatste deel ‘Zum Wassermann’ symboliseert de rationele, ‘mannelijke’ benadering.

Het opent met dartele, hoketusachtige motieven die steeds asynchroner en kakofonischer worden. De moeizame pogingen uit het keurslijf van de rationaliteit te ontsnappen verzanden in amechtig dalende melodielijnen en afgeknepen samenklanken. Met een paar ferme klappen van het slagwerk wordt het laatste restje hoop op de utopie de grond in geboord.

Verlate première

Pas in 2009 beleefde Aquarius zijn wereldpremière, in een door Pierre Audi geregisseerde coproductie van de Vlaamse Opera en het Holland Festival*. Ook Zum Wassermann wordt niet vaak uitgevoerd. Jammer, want Goeyvaerts’ muziek is uitgesproken beeldend en heeft een grote emotionele zeggingskracht. – Net als het werk van Oestvolskaja. Hoe verschillend van temperament ook, Goeyvaerts ramt zijn boodschap minstens even dwingend onze ziel in als ‘de vrouw met de hamer’. Een concert om naar uit te zien.

Muziekgebouw aan ‘t IJ, donderdag 26 oktober 2017, 20.15 uur. Om 19.15 uur spreek ik tijdens de inleiding met Filip Rathé, dirigent van het Spectra Ensemble. Info en kaarten 

*In 2009 maakte ik hiervan een reportage voor Cultura.

 

 

 

Advertisements
Posted in music, news | Tagged , , , , , | 1 Comment

Muziekgebouw aan ‘t IJ: Revolutie, Russen, Reinbert

Alexander Khubeev

Tijdens het Holland Festivalvan 1989 werd Reinbert de Leeuw zo gegrepen door de muziek van Galina Oestvolskaja en Sofia Goebaidoelina dat hij zich opwierp als hun onvermoeibare pleitbezorger. Dat niet lang na dit ‘Russische’ Holland Festival de Sovjet-Unie in elkaar zou storten, was niet te voorzien, maar maakte de weg vrij voor een vruchtbare uitwisseling tussen Oost en West. Onder de titel Revolutie, Russen, Reinbert plaatst De Leeuw donderdag 19 oktober hun muziek naast werken uit het Rusland van nu.

Sofia Goebaidoelina: sjamanistische klankwereld

Bij Sofia Goebaidoelina komt elke noot voort uit haar diepgewortelde geloof in de verbondenheid van de mens met het universum. Dit spreekt meteen al uit de titel Concordanza voor vijf blazers, vier strijkers en slagwerk, die zoveel betekent als ‘overeenstemming’ of ‘harmonie’. Zij componeerde dit stuk in 1971 en het ging datzelfde jaar in première tijdens het festival Praagse Lente.

De Russisch-Tataarse componist weeft als een muzikale sjamaan bezwerende, magische structuren uit breekbare, vaak niet eerder gehoorde klanken. Zij weet met behulp van subtiele speelaanduidingen instrumenten anders te laten klinken dan wij gewend zijn. Zelf zegt ze dat ze haar muziek ‘opkweekt uit de stilte’; deze varieert van bijna onhoorbaar, breekbaar geritsel tot fortissimo geraas.

Dat geldt bij uitstek voor Concordanza, dat donderdag wordt uitgevoerd door Asko|Schönberg. Het opent met een tere toon van de fluit, die wordt overgenomen en omspeeld door de overige instrumenten. Zij lijken geheel met elkaar te versmelten, maar al snel wordt de schijnbare eendracht verstoord door wilde capriolen van de houtblazers en beukend slagwerk. Al even plotseling keert de etherische rust terug, met fluisterzachte unisoni van de strijkers, tinkelende cimbaaltjes en lyrische soli van hoorn en fagot.

Galina Oestvolskaja: beukende ‘Goddelijke genade’

Galina Oestvolskaja componeerde alleen als zij in een ‘staat van goddelijke genade’ verkeerde. Anders dan Goebaidoelina deed zij echter niet aan subtiele klankverkenningen, maar had zij een voorkeur voor onopgesmukte rechttoe-rechtaan klanken, veelal in een eenvoudige ritmiek. 

In haar Octet voor twee hobo’s, vier violen, pauken en piano uit 1950 voert zij ons door een troosteloos, kaal en uitgebeend soort maanlandschap. De piano plaatst met spaarzame akkoorden piketpaaltjes; de hobo’s spannen hiertussen prikkeldraad met schelle klanken en schurende dissonanten; de strijkers blazen in langgerekte lijnen een ijzige poolwind door de ongenaakbare vlakte.

Het trage, voornamelijk in kwartnoten voortschrijdende tempo maakt enkele malen plaats voor meer beweeglijke, door elkaar krioelende lijnen, die een geagiteerde sfeer creëren. Het geheel wordt doordesemd met luide paukenslagen. Zij evoceren de gepassioneerde, wanhopige hartenklop van een mens die uit het diepst van de afgrond roept tot God. Dit monomane gehamer stond haaks op de sovjet-esthetiek; het Octet ging pas twintig jaar na voltooiing in première en veroorzaakte flink wat opschudding.

Dmitri Kourliandski: maatschappijkritisch

Ook de muziek van Dmitri Kourliandski is bepaald niet behaagziek. In 2003 won hij de Gaudeamus Award met Innermost Man voor sopraan en vier instrumentgroepen. ‘Een nieuw en onorthodox geluid in de hedendaagse muziek’, oordeelde de jury. Afgelopen zomer ging zijn politiek geladen opera Trepanation in première tijdens het Holland Festival, waarover ik weinig enthousiast was. 

Ook Innermost Man voor sopraan en ensemble is maatschappijkritisch, maar iets geslaagder. Kourliandski koos hiervoor regels uit de satirische romans Chevengur en The Foundation Pit van Andrei Platonov uit 1929/30. Hierin wordt het leven op de hak genomen onder de door Lenin ingevoerde Nieuwe Economische Politiek; in het groteske Utopia blijkt enkel de moorddadige geheime politie efficiënt georganiseerd.

De sopraan spuugt in verbrokkelde lettergrepen teksten uit als: ‘De mens is geen geest, maar een lichaam vol gepassioneerde pezen, met bloed gevulde kraters, heuvels, openingen, pleziertjes en vergetelheid.’ De instrumentalisten ‘spreken’ met haar mee in felle, percussieve erupties, waarvan niet eens de toonhoogte genoteerd is.

Geregeld onderbreken zij haar met een oorverdovende kakofonie van de meest onwaarschijnlijke klanken. Zij slaan op hun mondstuk, ratelen met kleppen, spelen gierende multiphonics vol microtronen, produceren onheilspellend gebrul en krassen met hun nagels over de snaren. Toch lijkt de sopraan uiteindelijk het pleit ‘te winnen’.

Valery Voronov: verwaaide citaten van eenzame gevangenen

Een fraai contrast met de hectiek van het stuk van Kourliandski vormt Aus dem stillen Raume dat Valery Voronov in 2010 componeerde. Opvallend is dat ook hij zich maatschappelijk betrokken toont. Zijn stuk is geïnspireerd op teksten die gevangenen van de Gestapo tijdens de Tweede Wereldoorlog op de muren van hun cellen krasten. Vaak worden daarin liederen geciteerd, zoals Lili Marleen; de titel is ontleend aan de openingsregel van het laatste couplet.

Het stuk opent met de overbekende melodie, voortgebracht door een speeldoosje. Het thema is echter zo uit elkaar getrokken, dat je het nauwelijks herkent: het mechanische instrument staat op een pauk met ingedrukt pedaal, waardoor de tonen verlengd en vervormd worden. Deze worden omkleed met aarzelende klanken van viool en fluit, terwijl de pianist zijn snaren beroert met een eetlepel en nauwelijks hoorbare glissandi produceert.

Bevend op de snaren stuiterende strijkstokken creëren ritsel- en ruisklanken, korte glissandi lijken op ingehouden angstkreten. In combinatie met wollige, geplukte noten van een contrabas en laag dreunende multiphonics van de houtblazers ontstaat een duistere, geheimzinnige sfeer. Zo voert Voronov ons naar eigen zeggen mee naar ‘een soort stille kamer, van waaruit je als luisteraar de melodie zelf actief moet gaan horen’.

Alexander Khubeev: straf op gedachten

De in 1986 geboren Khubeev is niet alleen de jongste, maar muzikaal ook de meest radicale van de jongere generatie. Belichten Kourliandski en Voronov misstanden uit het verleden, hij sluit in The Codex of Thoughtcrimes voor koor en ensemble aan bij de actualiteit. De titel verwijst naar mensen die vanwege hun gedachten worden veroordeeld. De teksten komen van historische figuren als Thomas More, Rosa Luxemburg en Alexander Solzjenitsyn, maar Khubeev citeert ook Edward Snowden. Tevens put hij uit recente posts op Russische sociale media, die leidden tot veroordelingen en gevangenisstraf.

Khubeev won twee jaar geleden de Gaudeamus Award. Met het prijzengeld componeerde hij The Codex of Thoughtcrimes stuk voor Asko|Schönberg en Cappella Amsterdam. De première tijdens de afgelopen Gaudeamus Muziekweek riep gemengde reacties op. Geen wonder, want wie zich verheugt op fraaie zanglijnen of opruiende teksten, komt bedrogen uit. Deze zijn namelijk onverstaanbaar omdat de zangers kartonnen kokers voor hun mond houden die hun stemmen vervormen.

Ook de overige instrumenten klinken anders dan we gewend zijn: de blaasinstrumenten hebben mondstukken van berenlokfluitjes; de snaarinstrumenten zijn voorzien van plastic linialen; de pianosnaren zijn afgeplakt. We horen slechts een onaards gezucht, geknars, gepiep en gegrom, dat soms griezelig apocalyptisch klinkt, alsof we regelrecht in de werkplaats van de hel zijn beland. Na een enorme climax komen ensemble en zangers steeds amechtiger hijgend en puffend tot rust.

Rest een open vraag: zijn de ‘misdadige’ gedachten definitief ten grave gedragen, of duiken zij weer onder de radar?

Meer info en kaarten

 

Posted in music, news | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Michel van der Aa: 3D-opera Sunken Garden in NTRZaterdagMatinee

sunken Garden foto

In 2013, the ‘first 3D opera’ in the world was launched in the Holland Festival with a lot of fanfare. This fourth opera by Michel van der Aa (1970) got mixed reviews. Two years later the Dutch composer made a revised version for the Opéra de Lyon. Based on this, he wrought a semi-scenic performance that will be premièred in NTRZaterdagMatinee in the Amsterdam Concertgebouw on Saturday 21 October.

At the time I was impressed by Sunken Garden, yet considered it somewhat too long. Hopefully this disadvantage has been taken care of in its latest version.

Here’s a translated reblog of the review I wrote for Cultuurpers in 2013.

Crime & Punishment before, after and in Death

Amsterdam, 5 June 2013 – It’s hard to find a production that created such a stir as Sunken Garden by Michel van der Aa. After its première at the London Barbican Theater last April this ‘first 3D-opera’ was both called ‘soporific’, and dubbed ‘the future of opera’.

Therefore I curiously entered the Rabozaal of the Amsterdam City Theater, where I was given 3D-glasses and a note with instructions when to put them on. The string orchestra Amsterdam Sinfonietta was complemented with winds, percussionists and a keyboardist; the young André de Ridder conducting.

As in his previous opera After Life, Van der Aa takes us to the antechamber of death. Where in After Life the characters relive their dearest memory before finally passing into afterlife, in Sunken Garden they can escape their responsibilities. Amber Jacquemain caused the death of her rival in love, Simon Vines was asleep when his daughter died in the cradle, Toby Kramer committed euthanasia on his mother.

The three protagonists make different choices: Amber finally leaves for the empire of the dead, Simon decides to live on with his guilt and Toby is reincarnated in the shape of his benefactor/tormenter Zenna Briggs. She built the sunken garden to become immortal, but was counteracted by Doctor Marinus, who lost his life over this. In passing the Orpheus theme is addressed: Toby falls in love with Amber, whom he tries – unsuccessfully – to free from the underworld. This is visualized by a 3D explosion of brightly colored plants.

Also musically, Van der Aa expands on former compositions. He supports the story with functional sounds, whether or not combined with electronics. Long-drawn chords are interspersed with frantic sound eruptions, yet at times there’s more lyricism. His favored broken branches aren’t missing either. Striking is the use of a consciously nerdy sounding synthesizer, which evokes associations with the seventies. Amsterdam Sinfonietta and conductor André de Ridder were in excellent shape, but the music was too uniform to engage our attention for two hours.

The vocal lines are slightly less angular than in After Life, yet still mainly move back and forth between the high and low registers. Thanks to the recitative style and the great performance of the singers, the texts were understandable. With his warm baritone, Roderick Williams convinces as the tentatively searching artist Toby Kramer, the soprano Katherine Manley is great as the venomous, lightly hysterical Zenna Briggs and Claron McFadden shines as the desperate Marinus.

In the filmed parts the baritone Jonathan McGovern (Simon Vines) also holds our attention, though you unconsciously squeeze your ears shut during his larmoyant “aria” about his daughter’s death. The pop singer Kate Miller-Heidke moves us as the naïve-devious Amber Jacquemain, especially when her sultry vocal lines surface above the stampeding dance-beats that threatened to drown her earlier.

Unfortunately all music is amplified, sometimes resulting in distorted vocals. Moreover it creates distance, because you see an orchestra in the pit and singers on the scene, yet hearthem through speakers to the left and right of the stage. Identification with the characters is problematic anyway, because David Mitchell’s storylines are so complicated and far-fetched that after one and a half hours boredom creeps in. – But then it continues for another thirty minutes.

Sunken Garden is a brave attempt to search for new ways, but it seems unlikely this opera ‘will change history’, as Van der Aa’s alter ego Toby Kramer postulates.

The revised, semi-staged version of Sunken Garden will be performed in Concertgebouw on 21 October in the series NTRZaterdagMatinee and is broadcast live on Radio 4. Info en tickets

Posted in music, news, review | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Rozalie Hirs creëert dromerig muzieklandschap in ‘parallel world [breathing]’

Rozalie_Hirs WikipediaRozalie Hirs (bron Wikipedia)

Al eeuwen zien wetenschappers verbanden tussen muziek en de ordening van het heelal. Het Koninklijk Concertgebouworkest nam dit als uitgangspunt voor zijn concert op 19 oktober in de serie Horizon. In samenwerking met de Universiteit van Amsterdam wordt een ‘polyfone kosmos’ gerealiseerd. Peter Eötvös componeerde hiervoor het orgelconcert Multiversum, Rozalie Hirs schreef ‘parallell world [breathing]’. Het stuk van Eötvös beleeft zijn Nederlandse première; de compositie van Hirs was 7 oktober al te horen op Amsterdam Science Park en klinkt nu tijdens de afterparty.

Hirs componeerde ‘parallel world [breathing]’ in opdracht van de Faculteit der Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica van de UvA. Uitgangspunt was een kamermuziekstuk rond het thema Multiversum, voor vijf musici van het Koninklijk Concertgebouworkest. Een kolfje naar de hand van de componist, die zich al sinds 1997 bezighoudt met onderzoek naar de wetmatigheden van klank. Tijdens het componeren combineert zij een intuïtief creatief proces met wetenschappelijke frequentieberekeningen. Hierin is zij verwant aan zogenoemde ‘spectralisten’ als Tristan Murail, bij wie zij studeerde.

RozalieHirs, première van ‘parallel world [breathing] ‘, 7 okt 2017, musici KCO o.l.v. Alexander de Blaeij , locatie UvA Science Park, foto Machiel Spaan

Droomachtig muzieklandschap

Het nieuwe stuk ‘parallel world [breathing]’ is het eerste deel van de nog te voltooien cyclus ‘parallel worlds’. ­– Niet voor vijf, maar voor acht musici. Dit heeft vooral een praktische achtergrond. ‘Ik was uitgegaan van een bezetting van fluit, klarinet, piano, viool en cello’, zegt Hirs. ‘Maar er bleek geen goede piano op locatie te zijn. Ze vroegen of ik in plaats daarvan een harp wilde inzetten. Omdat ik inmiddels een behoorlijk deel van de pianopartij af had, besloot ik de harp te combineren met slagwerk. Voor de rijkdom van de harmonieën voegde ik een extra strijker toe, een altviool. Vanwege de zwaarte van de partij werden het uiteindelijk twee harpen; ik gebruik bovendien elektronische klanken.’

De titel ‘parallell world [breathing]’ verwijst naar de parallelle werelden van het Multiversum, een thema uit de snaartheorie. Hirs: ‘Dit eerste deel van de cyclus is gebouwd uit tere harmonieën, met gebroken akkoorden van vibrafoon en harp. Die kunnen opgevat worden als metafoor voor wind rond de wereld, of adem van de mens. De uitgesponnen klanken voeren de luisteraar mee door een droomachtig muzieklandschap dat herinnert aan minimal music en spectrale muziek. Het is een meditatief stuk vol beweging.’

Info en kaarten via deze link: https://www.concertgebouworkest.nl/nl/concert/multiversum

Posted in music, news | Tagged , , , , | 1 Comment

Amsterdam Sinfonietta schittert in schimmenspel met Kurtág en barok

Amsterdam Sinfonietta met schim Michiel Weidner, foto Anna van Kooij)

De Grote Zaal van het Muziekgebouw aan ’t IJ is pikdonker. Dan floept een spotlight aan op het eerste zijbalkon rechts. Daar spelen Alexander Sitkovetsky, Maria Milstein, Rosanne Philippens en Jacobien Rozemond drie delen uit Concert voor vier violen van Telemann. Ze eindigen in een freeze, waarna de fluisterzachte, breekbare tonen klinken van Schatten van György Kurtág. We zien alleen de uitvergrote schaduw van cellist Michiel Weidner op het achtertoneel. Zodra hij klaar is, verschijnt het silhouet van Servaas Jessen, die het stuk nog eens uitvoert, in de versie voor contrabas. Dan klinkt opnieuw de levendige barokmuziek van Telemann.

Zo laat Amsterdam Sinfonietta een avond lang muziek en beeld met elkaar vervloeien. ‘De roep van violen’ blijft verrassen, mede dankzij de uitgekiende choreografie en belichting. Solisten, trio’s en kwartetten ‘interrumperen’ vanuit alle hoeken van de zaal het betoog van het strijkorkest. Volkomen organisch weven zij delen uit Kurtágs cyclus Signs, Games & Messages door muziek van Telemann en Vivaldi. Het levert een spannend schimmenspel op, waarbij de raakvlakken tussen klassieke en moderne muziek op poëtische wijze worden uitgelicht.

Rosanne Philippens, Maria Milstein, Alexander Sitkovetsky (foto Anna van Kooij)

Gelegenheidsconcertmeester Sitkovetsky heeft een mooie, ranke toon en speelt met veel vuur. Indrukwekkend ook zijn Milstein en Philippens, die als furies hun snaren geselen in het neobarokke Concert voor drie violen van de Finse componist Olli Mustonen. Amsterdam Sinfonietta speelt eveneens op wereldtopniveau. De strijkers hebben een overweldigende inzet, een diep begrip van de uitgevoerde noten en musiceren als één ademend en fraserend geheel. Hoe lastig de soms razendsnelle ritmes ook zijn, alles klinkt spatgelijk – zonder dirigent. Ook de dynamiek is om door een ringetje te halen.

Samen vertellen de musici een verhaal dat je onherroepelijk bij je lurven grijpt. Bij mij komt steevast het Engelse woord ‘elevating’ op. Zij voeren je mee naar hogere sferen, tillen je uit boven de dagelijkse werkelijkheid. Zelfs de wat kleurloze, alle kanten op schietende Serenade in C van Ernö Dohnányi smeden zij tot een aansprekend geheel. Terecht dwong het publiek na afloop met een stormachtig applaus twee toegiften af.

Dit schitterende schimmenspel is vanavond, 7 oktober, opnieuw te horen in de Stadsgehoorzaal te Leiden. Daarna klinkt het in iets gewijzigde vorm in Oostburg en Breda. Ik zou zeggen: zorg dat je erbij bent!

Info en speellijst
Posted in music, review | Tagged , , , , | Leave a comment

Noord Nederlands Orkest speelt orkestversie Canto ostinato

Simeon ten Holt, foto Friso Keuris

Tot zijn eigen ongenoegen werd Simeon ten Holt beroemd als componist van één enkel stuk: Canto ostinato voor vier piano’s. Deze compositie raakte bij zijn wereldpremière in 1979 meteen een snaar. Nog altijd klinkt het zo’n beetje elke dag wel ergens ter wereld, in alle mogelijke bezettingen. Van 12 tot en met 14 oktober presenteert het Noord Nederlands Orkest een versie voor symfonieorkest van Anthony Fiumara.

Het Noord Nederlands Orkest heeft iets met Simeon ten Holt. Al twee keer eerder werd Canto ostinato uitgevoerd, in de originele versie voor vier piano’s. Het iconische werk stond bij beide gelegenheden naast wereldpremières van de enige twee orkestwerken die Ten Holt componeerde. In 2014 werd diens op slechts vier tonen gebaseerde Centri-fuga ten doop gehouden. Twee jaar later klonk de eerste uitvoering van Une musique blanche, waarin verschillende orkestgroepen tegenover elkaar zijn opgesteld.

Meesterwerk van Nederlands minimalisme

Gezien het indrukwekkende aantal bewerkingen die in de loop der jaren zijn gemaakt van Canto ostinato, is het eigenlijk verbazingwekkend dat er nog geen versie voor orkest bestond. Dat vond ook Anthony Fiumara, die eerder al tekende voor orkestraties van muziek van David Bowie en Steve Reich. Zijn orkestbewerking van Canto ostinato maakte hij in 2016 in opdracht van het Residentie Orkest, dat het datzelfde jaar in première bracht in de Doelen in Rotterdam.

Fiumara is een groot liefhebber van Ten Holt, wiens Canto ostinato hij beschouwt als een van de meesterwerken van het minimalisme. ‘Het is een uniek stuk. Noch ervoor noch erna is iets soortgelijks geschreven.’, zei hij hierover. ‘Ik vind dat het kan wedijveren met wereldwijde topstukken als Music for 18 Musicians van Steve Reich of met Koyaanisqatsi van Philip Glass.’

Tonaliteit na de dood van de tonaliteit

Zelf moest de componist overigens niks hebben van een vergelijking met de Amerikaanse minimalisten, maar deze dringt zich onherroepelijk op. Niet alleen vanwege de eindeloos herhaalde motiefjes, maar ook vanwege de tonale teneur van de harmonieën en de bezwerend-meditatieve sfeer. In een interview met ondergetekende zei Ten Holt hierover: ‘Ik kreeg er genoeg van om aan een tafel, vanuit mijn hoofd te componeren – vanuit het intellect en niet vanuit het gevoel.’ Zo ontwikkelde hij naar eigen zeggen een ‘tonaliteit na de dood van de tonaliteit’.

Kortweg betekent dit dat Ten Holt ons weliswaar herkenbare akkoorden voorschotelt, maar deze niet onderwerpt aan de voor tonale muziek zo kenmerkende hiërarchie. In plaats van bepaalde, spanningsvolle akkoorden te laten ‘oplossen’ in ontspannende, rustgevende samenklanken, herhaalt hij ze juist eindeloos. Zo komen ze als het ware op zichzelf te staan en wordt je als luisteraar meegezogen in een tranceachtige sfeer. Die verklaart wellicht de grote populariteit van Canto ostinato, dat wel ’s nachts wordt uitgevoerd voor mensen op slaapmatjes.

Onder de motorkap

Maar hoe vertaal je dit meeslepende werk voor vier piano’s naar de verschillende instrumenten van een symfonieorkest? Een rechttoe-rechtaan klusje was het niet, erkent Fiumara in een interview met de Volkskrant: ‘Als je onder de motorkap kijkt, zie je dat Ten Holt veel vrijheden heeft ingebouwd. De musici mogen zelf beslissen hoe vaak ze een bepaald deel herhalen. Er is een hoofdlijn, maar er zijn ook alternatieven. Het oorspronkelijke stuk is voor vier piano’s. Tijdens een tafelgesprek met vier personen kun je elkaar nog wel onderbreken, maar met zestig man heb je echt een gespreksleider nodig.’

Als arrangeur moest hij de teugels dus wel iets sterker aantrekken. Op zijn blog schrijft hij: ‘Het orkest is een enorme machine met zijn eigen wetten en gedrag. Voor dat apparaat heb ik een vertaling gemaakt van de instructies en vrijheden die Simeon ingebouwd heeft in de notatie. Ik heb het orkest in twee helften verdeeld, die voortdurend met elkaar in dialoog zijn – precies zoals de pianisten in het origineel.’

Homogeen maar kleurrijk

Die kern van het origineel zit voor Fiumara in de homogene klank van de vier piano’s. Hij vergelijkt deze met zwart-witfotografie en de monochrome vlakken van kunstenaars als Mark Rothko of Ad Reinhardt. In zijn orkestratie wilde hij het rijkere klankpalet uitbuiten, zonder de oorspronkelijke homogeniteit uit het oor te verliezen.

Daarom koos hij voor een basisklank die wordt gevormd door de strijkers. Deze wordt spaarzaam aangevuld en bijgekleurd door houtblazers; slechts sporadisch zet hij koperblazers in. Ook het slagwerk gebruikt hij maar mondjesmaat.

Zo maakt Fiumara lijnen en bewegingen hoorbaar die in de pianoversie op de achtergrond bleven. Dit gebeurt echter niet al te nadrukkelijk, want ‘het moet klinken alsof Canto voor orkest werd geschreven’. En inderdaad: in zijn nieuwe jas is het stuk misschien nog wel bedwelmender dan het origineel.

Op donderdag 12 oktober in de Oosterpoort Groningen en vrijdag 13 oktober in de Harmonie te Leeuwarden verzorg ik voorafgaand aan het concert een inleiding. 

info en speellijst

Foto: Simeon ten Holt: Friso Keuris

Posted in music, news | Tagged , , , , , | Leave a comment

Bas-bariton Pieter Vis is niet meer – hij kon het zingen niet laten

Geheel onverwacht overleed donderdag 28 september de bas-bariton Pieter Vis (1949-2017), 68 jaar oud. Een hersenbloeding werd hem fataal. Die ochtend nog had hij op Facebook een bericht gedeeld van het radioprogramma De Ochtend van Vier. Onder zijn bekende pseudoniem Pyoter Riba – de Russische vertaling van zijn naam

Sinds hij dit sociale medium ontdekte, toonde hij zich een enthousiast gebruiker die onvermoeibaar likes en complimenten uitdeelde aan wie ook maar iets te melden had over muziek. In hem verliest het Nederlandse muziekleven een bijzonder bevlogen musicus. Zijn tijdlijn stroomde onmiddellijk vol met geschokte reacties over zijn plotselinge dood.

Pieter Vis was een van de warmste, hartelijkste en collegiale musici die ik ooit heb leren kennen. Ons eerste contact ontstond in 1997, toen ik voor de VARA de programmareeks Het tweede gezicht maakte, gewijd aan vrouwelijke componisten.

Het was destijds nog veel moeilijker opnames te vinden van componerende dames dan tegenwoordig. Zoekend naar muziek van onder het tapijt geschoffelde componisten als Catharina van Rennes, Hendrika van Tussenbroek en Bertha Tideman-Weyers stuitte ik keer op keer op zijn naam. – Als jongenssopraan, als bas of bariton, maar ook als dirigent. Per telefoon beantwoordde hij met graagte al mijn vragen en voorzag hij me van waardevolle tips.

Daarna verloor ik Pieter een beetje uit het oog, omdat hij zich in een ander muzikaal circuit bewoog. Hij maakte vooral naam in de wereld van de kerkmuziek en begon zijn carrière als jongenssopraan. Als solist trad hij geregeld op met het Rotterdams Jongenskoor, maar hij soleerde ook bij de vermaarde Wiener Sängerknaben.

Daarna studeerde hij zang bij onder anderen de alt Annie Hermes. Daarnaast volgde hij liedinterpretatie- en operacursussen bij grootheden als de sopraan Marie-Cécile Moerdijk en de bas-bariton Dietrich Fischer-Dieskau. Hij won verschillende binnen- en buitenlandse prijzen en trad op in de Festivals van Vlaanderen, Salzburg en Berliner Festwochen.

Een paar jaar jaren geleden kruiste Pieter opnieuw mijn pad, via het zojuist door hem – en mij – ontdekte Facebook. Ik had nog geen bericht geplaatst of hij had het al geliked, en dat gold al zijn volgers. Enthousiast deelde hij onze berichten, postte filmpjes en foto’s van eigen optredens uit heden en verleden en leverde commentaar.

Pieter beschikte over een fabelachtig geheugen en grote kennis van het Nederlandse muziekleven, die hij belangeloos deelde. Waar hij de tijd vandaan haalde om zoveel mensen actief te volgen, is mij een raadsel. Ondertussen bleef hij namelijk optreden, concerten organiseren en jongeren begeleiden op hun weg naar een professionele carrière.

Diverse malen nam hij ‘definitief’ afscheid van zijn zangcarrière. Maar hij kon het zingen niet laten, en beklom keer op keer opnieuw het podium. Zo hoorde ik hem na zijn zoveelste afscheid toch in een recital met Nederlandse operamuziek in Museum Kröller-Muller. Zijn warme stem en ingeleefde interpretatie vormden voor mij het hoogtepunt van het concert.

Op de aan hem gewijde website lezen we dat op 16 december 2018 ‘definitief het doek zal vallen voor de Nederlandse concertzanger en musicoloog Pieter Vis’. Dit allerlaatste van alle laatste optredens gaat hij niet meer halen, voortaan zingt Pieter in de hemel.

Op de foto: Pieter Vis met Daniël Wayenberg

Posted in music, news | Tagged , , , | 2 Comments

At Swim-Two-Birds: double concerto for violin & cello by Pascal Dusapin

‘I’ll never write a motif, rhythm, or chord that I cannot sing,’ Pascal Dusapin (Nancy, 1955) once said. And indeed, all his music has a vocal, cantabile quality. On Saturday 30 September the Dutch Radio Philharmonic Orchestra will première his concerto At Swim-Two-Birds for violin, cello, and orchestra in Amsterdam Concertgebouw. Soloists are the violinist Viktoria Mullova and the cellist Matthew Barley, to whom the piece is dedicated. The première is broadcast live on Radio 4, organizer of the concert series NTR ZaterdagMatinee.

As a child Dusapin was so impressed when he first heard a jazz trio, that he decided there and then to start playing the clarinet. From his tenth he developed a passion for organ, but only when he heard Arcana by Edgard Varèse, he knew he wanted to spend the rest of his life composing.

Colourful tapestries

Instead of going to a conservatory – which he deemed too academic – Dusapin studied art history and aesthetics at the Sorbonne. He developed his compositional skills mainly on his own, yet did take some seminars with Iannis Xenakis between 1974 and 1978. He considered the Greek composer to be the living heir of Varèse. Unlike his heroes, he was not interested in using electronics in the compositional process. With purely physical instruments Dusapin creates highly organic music, full of colourful sound tapestries and lyrical solos.

He composed At Swim-Two Birds at the request of the violinist Viktoria Mullova and the cellist Matthew Barley. At first Dusapin had doubts about writing yet another piece for solo strings. Having recently finished both a violin and a cello concerto, he ‘felt a bit swamped by these two instruments’. When Mullova and Barley opined that the combination of a violin and a cello would make ‘a new instrument altogether’, he accepted the commission after all: ‘This changed everything.’

Extravagant narrative

While composing, Dusapin stumbled upon the experimental novel At Swim-Two-Birds by Flann O’Brien from 1939. This is literally swarming with unlikely figures and characters, who in the end take over the initiative from the author. It is a mixture of farce, satire and fantasy and ranks as one of the important exponents of postmodern literature.

‘I was struck by the narrative and formal extravagance of this book’, says Dusapin. But though he took its title, he never intended his concerto to be a musical equivalent. Rather more he was taken in with the way the characters become entangled with each other. –  ‘And then, of course, there are two birds in the title…’.

Sensually intertwined

The number two not only applies to the soloists, but also to the form of the concerto. Instead of the current three, At Swim-Two-Birds has only two movements, both slow. Dusapin gives a lot of room to the soloists, who often play virtuoso solo lines against a silent orchestra. At other times the two ‘birds’ sensually intertwine in soaring duets, the orchestra moving in so cautiously you hardly notice they’re taking part in the argument.

The overall pace is slow, but towards the end vehement tapping on a tambourine triggers a faster tempo, while the dynamics become louder. The solo violin ‘breaks loose’ in staggeringly virtuosic figurations, giving the orchestra and fellow soloist the go-by. Yet they pull themselves together quickly, ‘overtaking’ the violin and restoring the quiet atmosphere. The concerto ends with softly rumbling drums and gongs, the string orchestra playing a chord that slowly fades away into nothingness.

I hope the actual performance will be as enchanting as is promised by the score.

Saturday 30 September, 2.15 p.m. Concertgebouw Amsterdam
Radio Filhamonisch Orkest / Markus Stenz
Ligeti: Lontano
Dusapin: At Swim-Two Birds
Info and tickets: https://www.concertgebouw.nl/concerten/kleurrijke-droomwerelden-ligeti-dusapin-en-larcher/30-09-2017

Photo credit: Jean Radel

Posted in music, news | Tagged , , , , | Leave a comment

Peter Eötvös composes organ concerto based on string theory

Peter Eötvös foto Istvan Huszti

On October 19, Peter Eötvös will conduct the Royal Concertgebouw Orchestra Continue reading

Posted in music, news | Tagged , , , , | Leave a comment

Nedpho en Koor DNO schitteren in La forza del destino

Van de onheilspellende klaroenstoten aan het begin tot de in het niets wegstervende fluisterstrijkers aan het slot: alles klinkt als een klok. Toch dirigeert Michele Mariotti La forza del destino van Giuseppe Verdi voor het eerst. Hij maakt met deze zelden uitgevoerde opera zijn debuut bij De Nationale Opera. Mariotti kwam, zag en overwon. Hij lijkt een geboren Verdi-interpreet, van wie we nog veel gaan horen.

Met elegante, maar trefzekere gebaren tovert de Italiaanse dirigent elke nuance te voorschijn in Verdi’s kleurrijke, hoogst dramatische muziek. Het Nederlands Philharmonisch Orkest klonk zelden zo alert en ingeleefd, met prachtige soli van onder andere houtblazers en harp. Ook de interactie met het al even voortreffelijk zingende koor van DNO was voorbeeldig. Vier uur lang bleven hun inzetten spatgelijk, zelfs in ritmisch hondsmoeilijke passages als de opzwepende massascène ‘Rataplan’.

Onnavolgbaar libretto?

De Nationale Opera bracht La forza del destino nooit eerder op de planken. Velen wijten dit aan het onnavolgbare libretto van Francesco Piave. Maar zijn niet alle opera’s gebaseerd op een draak van een verhaal? In dat licht valt dit libretto best wel mee. Om te spreken met George Bernard Shaw: ‘Er is een tenor (Alvaro), die het aanlegt met een sopraan (Leonora) en een bariton (haar broer Carlo) die dit wil verhinderen.’

Helemaal zo simpel is het natuurlijk niet. Alvaro (Roberto Aronica) doodt per ongeluk Leonora’s vader (de bas James Creswell), waarop Carlo (Franco Vassallo) eerwraak zweert. Op het slagveld sluiten beiden – incognito – bloedbroederschap. Zodra Carlo diens ware identiteit ontdekt, besluit hij Alvaro en Leonora (Eva-Maria Westbroek) alsnog te doden. Uiteindelijk sterft hijzelf door het zwaard van haar geliefde, nadat hij zijn zus dodelijk heeft verwond.

Piëta

Regisseur Christoph Loy volgt het libretto op de voet, in een fraaie enscenering van Christian Schmidt. Tijdens de ouverture zien we de drie hoofdpersonen als kind; Leonora neemt als een piëta haar broer op schoot. Aan het slot draagt Alvaro de dode Leonora op zijn knieën. Een mooi beeldrijm: Alvaro blijft verweesd achter, speelbal van het noodlot als hij is.

De vele massascènes zijn spectaculair vormgegeven, met wervelende choreografieën van leather-boys in blote bast. Aanstekelijk is de sensuele buikdans van waarzegster Preziosilla. Deze wordt bijzonder wulps uitgevoerd door de mezzosopraan Veronica Simeoni, die ondertussen uitstekend zingt.

Er zijn ook minder overtuigende scènes. Bijvoorbeeld als Carlo en Alvaro elkaar te lijf willen gaan met plastic kinderzwaarden. En waarom wordt Leonora verkracht door de broeders bij wie zij haar toevlucht heeft gezocht? Zij is immers verkleed als man en de abt houdt haar angstvallig voor de blikken van zijn kloosterlingen verborgen.

Leonora (Eva-Maria Westbroek) & op de stoel Il marchese (James Creswell) & Koor van de Nationale Opera (c) Monika Rittershaus

Melodramatische filmbeelden

Ronduit storend zijn de filmbeelden. Verdi maakt met zoetgevooisde soli, schrille dissonanten en onverhoedse trommelslagen de gemoedstoestand van de personages volledig invoelbaar. De emotionele, huizenhoog geprojecteerde gelaatsuitdrukkingen werken als verdubbeling, waardoor het geheel larmoyant en melodramatisch wordt.

Jammer ook dat er tussen Leonora en Alvaro maar geen vonk wil overspringen. Westbroek en Aronica delen schijnbaar enkel hun liefde voor ruimhartige vibrati. Bovendien overschreeuwen zij zichzelf, hebben zij moeite met hun intonatie en heeft beider stem een rafelrand. Gelukkig zijn de overige rollen beter bezet. Vassallo is fenomenaal als Carlo. Zijn warme bariton klinkt altijd beheerst, zelfs in razernij grijpt hij niet naar een turbovolume.

De ware ster is Verdi’s muziek

Een glansrol speelt de Oekraïense bas Vitalij Kowaljow als Padre Guardiano. Met zijn in alle registers egale stem bereikt hij moeiteloos alle hoeken van de Stopera, ook in zachtere passages. Waarom hij als abt van het klooster gekleed gaat als de dorpsdokter, is mij overigens een raadsel.

De bariton Alessandro Corbelli heeft als de knorrige Fra Melitone de lach aan zijn kont hangen. De sopraan Roberta Alexander maakt een smaakvolle miniatuur van haar kleine rol als huishoudster. Hopelijk mag zij in een volgende productie terugkeren.

Ook Michele Mariotti zie ik graag weer eens terug. Hij geeft de solozangers, de individuele musici en de koorleden alle ruimte om te schitteren. – De ware ster van deze productie is Verdi’s muziek.

Gehoord: 13-9-2017, Stopera Amsterdam
Aldaar nog te horen tot en met 1 oktober. Info en kaarten: http://www.operaballet.nl/nl/opera/2017-2018/voorstelling/la-forza-del-destino
Posted in music, review | Tagged , , , , , , , , | Leave a comment