Associatieverdrag Oekraïne: waarom ik vóór stem

Vandaag kunnen we stemmen over het associatieverdrag met Oekraïne. Ik stem vóór, want niet alleen de Oekraïnse bevolking heeft baat bij meer uitwisseling met het westen, maar ook wij zelf. In de jaren negentig bezocht ik enkele malen het festival Two Days and Two Nights of new Music in havenstad Odessa.

In 1998 schreef ik hierover een verslag voor Hervormd Nederland, dat nog altijd verrassend actueel blijkt te zijn. Ook toen kampte het land met enorme corruptie, maar juist door uitwisselingsprojecten als het muziekfestival zouden volgens kunstcritica Ute Kilter Oekraïners de weg vinden naar een beschaafdere maatschappij. Hier volgt een enigszins aangepaste versie van mijn artikel uit April 1998.

Oekraïne heeft vele gezichten

Waar ons in 1997 de poolstormen om de oren joegen, schijnt dit jaar een uitbundige zon als we op de luchthaven van Odessa aankomen met zo’n twintig musici uit heel Europa. Het is vijfentwintig graden en de bomen langs de brede avenues zijn al groen. Dit jaar te dik gekleed, verleden jaar te dun – het lijkt symbolisch voor ons onbegrip van dit land dat zo vele gezichten heeft, maar zijn ware aard feilloos voor ons vreemdelingen verborgen weet te houden. We worden opgewacht door Karmella Tsepkolenko, artistiek leider van het festival, en leden van de organiserende Renaissance Foundation. Deze krijgt op haar beurt geld van de beroemde Amerikaanse Soros Foundation, want geld voor cultuur is er in Oekraïne niet.

Die avond worden we vergast op een copieus maal, dat we met veel wodka en champagne wegspoelen, en de volgende ochtend worden we verwelkomd op het conservatorium. Hier zullen ter voorbereiding op het festival masterclasses en workshops gegeven worden door musici en componisten uit Europa en de voormalige Sovjetunie. Het eens zo fraaie gebouw, waar grootheden als Svjatoslav Richter, David Oistrach en Emil Gilels studeerden, is nu oud en vervallen, maar het ademt een bijzonder levendige sfeer. Uit alle hoeken en gaten klinkt muziek en zelfs op de gangen zijn studenten aan het repeteren.

Arrogante westerlingen

De workshops aan het conservatorium zijn nog drukker bezocht dan verleden jaar, maar toch is een lichte teleurstelling niet te vermijden. Ogenschijnlijk is alles in orde: er is een lokaal, er is een docent, een tolk, er zijn studenten, de cd-installatie staat paraat en de les begint op tijd. Maar dan. De Duitse componist Ernst-Helmuth Flammer heeft een doorwrochte lezing voorbereid over de mate waarin Bruckner en Mahler vooruit wijzen naar de nieuwe muziek. Deze is in het Russisch vertaald en wordt door de tolk integraal voorgelezen.

De studenten maken amechtig notities, of verlaten sluipend de zaal. De Franse saxofonist Pierre-Stéphane Meuge komt zonder verontschuldiging drie kwartier te laat en heeft helemaal niets voorbereid. Of er misschien vragen zijn? De uit Amerika afkomstige fluitiste Carin Levine daarentegen demonstreert twee uur lang onvermoeibaar de meest ingewikkelde blaastechnieken, terwijl haar gehoor smachtend toekijkt, de fluit werkloos in de handen geklemd.

Initiatiefloze oosterlingen

Maar als Barrie Webb, een Engelse trombonist, de mouwen op wil stropen voor een echte ouderwetse masterclass, blijkt er slechts één student te zijn die iets voorbereid heeft. Op zijn lichtelijk geïrriteerde vraag waar de anderen blijven, krijgt Webb de tegenvraag of hij niet zelf een stukje wil spelen. Hierna is de workshop van pianist Kees Wieringa een verademing. Hij studeert met studenten op het roemruchte Canto Ostinato van de Nederlandse componist Simeon ten Holt en de hele klas dromt om de twee piano’s. Toch erkent ook Wieringa dat slechts één studente de maanden van te voren opgestuurde partituur werkelijk bestudeerd heeft.

Het is een houding die voor ons westerlingen moeilijk is te begrijpen. Enerzijds hebben de studenten een enorme honger naar nieuwe muziek, anderzijds lijken ze te verwachten dat intensief en aandachtig toehoren vanzelf leidt tot beheersing van de nieuwe noten en technieken.

Alexander Radvilovitsj, een componist uit St. Petersburg, zegt desgevraagd: ‘De mensen in het oosten hebben nog steeds niet geleerd zelf verantwoordelijkheid te nemen, omdat er tijdens het socialistische bewind immers voor hen gedacht werd. Dit verklaart niet alleen hun lakse houding, maar ook het feit dat ze geen weerwoord hebben als iemand een waardeloze workshop geeft.’ Zodra ze voelen dat ze als individu serieus genomen worden, bloeien de studenten echter helemaal op en worden ze een stuk ondernemender.

Gretig luisteren naar John Cage

Het concert van de Duitse pianiste Gabriele Wulff met werken van John Cage, is totaal uitverkocht. Stoelen worden bijgesleept, sommigen zitten zelfs op de grond. Haar technisch niet vlekkeloze, maar met kennelijk plezier uitgevoerde performance op de speelgoedpiano en de ‘prepared piano’, waarbij zij met schalen water sleept, op eendenfluitjes blaast en een transistorradio’tje bedient, veroorzaakt veel hilariteit en krijgt een overdonderend applaus. Het publiek is duidelijk verrast door deze manier van omgaan met muziek en slurpt dit alles met een gretigheid naar binnen alsof men vreest dat elke minuut het ijzeren gordijn opnieuw kan worden dichtgetrokken.

Tijdens het diner na afloop komt eindelijk de verwachte uitwisseling tussen oost en west op gang. Ik zit aan tafel met Miroslav Pudlák, een Tsjechische componist die in zijn werk minimalistische technieken gebruikt, Mikhail Afanasjev, een componist uit Moldavië die zich vooral met elektronica bezighoudt, en de Amerikaanse pianiste Patricia Goodson, die eerder die dag een recital gaf met werken van Tsjechische componisten uit de jaren twintig.

Als we besluiten te gaan dansen op de vreselijke synthesizermuziek waarmee de uitbaters van het restaurant onze maaltijd menen te moeten opfleuren, staat binnen de korste keren de hele club te swingen op de dansvloer en is het ijs voorgoed gebroken. We zijn inmiddels met zo’n veertig man en dat aantal zal in het weekend oplopen tot bijna honderd – elke dag druppelen nieuwe deelnemers binnen.

Ook serveerster komt luisteren

Vrijdagmiddag om 16.00 uur barst dan het daadwerkelijke festival los. Het Oekraïens Marineorkest opent met een verre van perfecte, maar wel aanstekelijke uitvoering van Frederic Rzewski’s Coming together. Kan het symbolischer? De zaal lijkt nog het meest op Paradiso, maar is ongeveer twee keer zo groot. Het podium loopt door in de zaal en hieromheen staan tafeltjes en stoelen en het is afgeladen vol met een uiterst gemêleerd publiek.

Hier geen gespecialiseerd, totaal verintellectualiseerd gehoor, maar gewoon een gezonde mix van jong en oud, van mensen die nieuwsgierig zijn naar nieuwe muziek. Er hangt een vleug van avontuur en opwinding. Natuurlijk zijn er veel studenten van het conservatorium en musici van de lokale orkesten, maar daarnaast komen er intellectuelen en kunstenaars, en ook het meisje dat ‘s ochtends ons ontbijt serveert, is van de partij.

De cellisten Vadim Lartsjikov en Olga Veselina tijdens festival 1998

De cellisten Vadim Lartsjikov en Olga Veselina tijdens festival 1998

Het progamma is bijzonder gevarieerd en zorgvuldig opgebouwd. Steeds wordt begonnen met een solist, waarna een duo een ‘duel’ aangaat met afwisselend gespeelde soli en duetten. Vervolgens komen grotere ensembles aan bod. De uitgevoerde muziek bestrijkt zo’n beetje het hele spectrum van het twintigste-eeuwse componeren. We horen constructivistische muziek van Amerikanen als Elliott Carter en Peter Tod Lewis en lyrisch-expressionistische klanken van de uit Kazachstan afkomstige Rachid Kallimullin en de Oekraïense componist Vadim Lartsjikov.

Meditatieve, rond één toon cirkelende stukken van Giacinto Scelsi worden afgewisseld met uitbundig humoristische werken van Vinko Globokar, terwijl de sensuele klankwereld van Luciano Berio naast de neoromantische muziek van Graciela Agudelo wordt geplaatst. In het strijkkwartet van Martin Bresnick bespeuren we minimalistische invloeden, terwijl elementen uit de popmuziek te horen zijn in de werken van Jacob Ter Veldhuis en de Siberische componist Roman Stolyar. En de bourdontonen van de Roemeense componiste Dora Cojacaru verraden een oorsprong in de volksmuziek.

Bar open tijdens concert

De bar blijft tijdens de concerten open, maar roken is, anders dan vorig jaar, verboden. De sfeer is ontspannen en informeel en het publiek zit in het donker, terwijl de musici op het podium met spots worden uitgelicht. Een poppy benadering die hier te lande ook wel eens uitgeprobeerd wordt, maar op de een of andere manier meestal doodslaat omdat er verder zo’n sfeer van heiligheid en ontzag omheen hangt.

Hier in Odessa is de muziek nog niet tot religie verheven en de mensen reageren rechtstreeks vanuit hun hart – als een musicus of ensemble slecht of zonder overtuiging speelt, is dit onmiddellijk te horen in het applaus. Deze voor ons ontwapenende openheid is geworteld in het besef dat muziek een onderdeel is van het leven en het getuigt dan ook geenszins van gebrek aan respect als je tussendoor een drankje drinkt of een paar woorden met de buurman wisselt. Wanneer hebben wij eigenlijk de tafeltjes uit onze concertzalen verwijderd?

Integratie kost tijd

Helaas is de muziek uit het oosten, met twintig van de in totaal tachtig uitgevoerde werken, wat ondervertegenwoordigd. En dat is jammer, want hier zit veel fraais bij, zoals het schitterend nerveuze strijkkwartet Consequences van de Oekraïense componist Alexander Krasotov, of het levendige Sempre Ostinato van de Roemeen Cornel Taranu en het mysterieus-dramatische Beyond the white horizon van de Oekraïense Ludmilla Samodaieva.

Maar het aandeel oosterse muziek is al groter dan tijdens de voorgaande festivals en integratie kost nu eenmaal tijd. Het festival timmert in ieder geval hard aan de weg. Als het zondagochtend om vijf uur wordt afgesloten met een stuk voor fluit en percussie van André Jolivet, is de zaal dan ook nog steeds tot de nok toe gevuld. Men moet immers een heel jaar teren op wat tijdens dit marathonweekend aan nieuwe muziek gepresenteerd wordt. Voor ons westerlingen een onvoorstelbare gedachte.

En wat betekent dit festival nu voor de man in de straat? Muziek- en kunstcritica Ute Kilter, die een eigen tv-programma over cultuur verzorgt, zegt hierover: ‘Door geconfronteerd te worden met nieuwe muziek en met musici uit het westen, sijpelt langzaam maar zeker een andere manier van denken door, waarbij de eigen verantwoordelijkheid een grotere rol gaat spelen. Dit zal op de lange duur van wezenlijk belang zijn om veranderingen teweeg te brengen in ons politiek en sociaal totaal corrupte en door de maffia gecontroleerde land. Uiteindelijk zullen wij hierdoor een beschaafd land worden’.

Advertisements
This entry was posted in background, personal and tagged , , , , , , , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s